Christendom in het Oude China
Terug naar Homepage

Terug naar Archief

Naar Weblog

In het jaar 635 - een eeuw voordat Bonifatius probeerde de Friezen te bekeren - trok een kleine groep pelgrims vanuit het westen China binnen. De pelgrims stonden onder leiding van de Perzische monnik Aluoben. Ze hadden een duidelijk doel: ze wilden in China een kerk stichten. In deze tijd beleefde China een periode van grote opbloei. De keizer stond open voor invloeden uit het Westen en de pelgrims werden dan ook hartelijk ontvangen.
Het begon goed met de christelijke kerk in China. De christelijke godsdienst kreeg de officiële goedkeuring van de keizer. De pelgrims kregen een stuk land toegewezen in de hoofdstad van China waar ze een kerk bouwden. Aluoben kreeg de gelegenheid om christelijke geschriften in het Chinees te vertalen. Hoe het de kerk daarna precies verging is niet helemaal duidelijk, want er zijn niet veel geschriften uit die tijd over. Feit is dat de kerk binnen honderd jaar tot bloei kwam. In meer dan 20 belangrijke steden werden er kerken opgericht, er waren meer dan 70 priesters, talloze monniken en waarschijnlijk vele duizenden gelovigen. Op het totaal van de Chinese bevolking bleef dat natuurlijk een kleine minderheid, maar de basis voor een verdere verbreiding leek gelegd.
Voor chinezen was het christendom natuurlijk een vreemde godsdienst. Zij noemden het “de stralende religie” of soms ook “de lichtreligie”. Aluoben en zijn mensen moesten naar manieren zoeken om het christendom begrijpelijk te maken voor chinese toehoorders. Zo beschreef hij de aankondiging aan Maria: “Daarom zond God zijn Koele Bries om over een uitverkoren jonge vrouw te komen, met de naam Mo Yan, die geen echtgenoot had, en zij werd zwanger”. Het symbool van de chinese kerken werd het kruis, alleen dan oprijzend uit lotusbloemen. De kruisiging was trouwens een steen des aanstoots in China. Een goddelijk figuur die als een misdadiger omgebracht werd, dat kon toch niet. Latere auteurs hebben de dood en opstanding van Jezus daarom maar weggelaten uit hun geschriften.
Vanaf 845 gaat er een andere wind door China waaien. Buitenlandse godsdiensten worden vervolgd. Aan de volgelingen van de Stralende Religie wordt opgedragen hun “on-chinese aktiviteiten” te staken. De kerk begint te verdwijnen. In 980 verschijnt een uitgeputte Chinese reiziger voor de poorten van Bagdad. Hij weigert veel te vertellen, maar alleen dit laat hij los: dat er in heel China nog maar één christen te vinden is: hij zelf.
Aan het einde van de 13e eeuw wordt China veroverd door de mongolen. Het lukt buitenlandse christenen in deze tijd opnieuw om kerken in China te stichten. Maar de echte chinezen worden door deze kerk niet bereikt. Alleen mongolen en andere buitenlanders worden lid. Na honderd jaar worden ook deze kerken weer vernietigd. Pas in onze dagen bloeit het Chinese christendom opnieuw op.

Grafsteen christenen in ChinaDe afgelopen jaren is de jonge anthropoloog Tjalling Halbertsma op zoek gegaan naar restanten van het christendom in het oude China. In zijn boek “De verloren lotuskruisen” beschrijft hij hoe hij steeds meer restanten en geschriften op het spoor kwam. Zo (her)ontdekte hij het enige overgebleven kerkgebouw. Zijn verslag leest als een avonturenroman: hoe hij roversbenden voor moet blijven en autoriteiten om de tuin moet leiden. Een beetje als de filmheld Indiana Jones. Toch wordt hij ook zeer gewaardeerd in het Verre Oosten. De minister-president van Mongolië heeft hem tot speciaal adviseur benoemd en een voorwoord bij zijn boek geschreven.
  

Als ik over deze hele geschiedenis nadenk, dan sla ik eerst aan het speculeren. “Wat als de geschiedenis net iets anders verlopen was. Als het christendom wel vaste voet in China had gekregen” Maar dat soort speculaties levert niet meer op dan dagdromen (of nachtmerries). De hele geschiedenis doet me opnieuw beseffen hoezeer ook ons Christendom met de Romeins-westerse cultuur verweven is geweest, van het begin af aan. Ook bij ons zijn stevige pogingen geweest om het christendom aan te passen aan de gebruiken die mensen hier al kenden. Bekendste voorbeeld is natuurlijk het Kerstfeest, dat door de kerk op 25 december is geplaatst omdat op die datum het Romeinse feest van de Onoverwinnelijke Zon (Sol Invictus) gevierd werd. Dat het christendom zich ook aan andere culturen aanpaste is dan ook zo gek niet.
Ook in onze tijd komen deze vragen op ons af. Passen wij ons aan, aan de veranderende cultuur om ons heen. Wat doen we met populaire muziek? Wat met de hele andere kijk op lichamelijkheid? Soms is aanpassing nodig om aansluiting te houden bij de levens van mensen.
Tegelijkertijd laat de geschiedenis van de Chinese kerk zien dat je als kerk ook te ver kan gaan met je aan te passen. Cruciale passages uit het evangelie (de dood en opstanding van Christus) verdwenen onder tafel, omdat de missionarissen bang waren dat de mensen het anders niet zouden begrijpen. De Chinese kerk is ten onder gegaan doordat zij politieke steun verloor en het is goed om met eerbied over deze christenen te spreken, die vervolgd zijn vanwege hun geloof. Maar zou een gebrek aan geloof en een gebrek aan eigenheid niet ook een rol hebben gespeeld in het verdwijnen van het christendom. Toen de steun van de overheid wegviel was er meteen ook niets meer over.
Wat betekent dat voor ons? Soms is het beter om je niet aan te passen. Om vast te houden aan eigen uitgangspunten en geloofsregels. Ook als de hoofdstroom van de cultuur een andere kant opgaat. Te proberen daarvandaan op creatieve wijze je punten in te brengen. En te hopen dat ooit de samenleving zich aanpast aan wat wij begrijpen als het woord van Christus.

Coen Wessel

N.a.v. Tjalling Halbertsma, De verloren lotuskruisen, Een zoektocht naar de steden, graven en kerken van vroege christenen in China, Altamira-Becht, Haarlem 2002