Enoch Powells profetie van 'Rivers of Blood'
Naar Homepage

Naar Archief

Op 20 april 1968 hield het Britse Conservatieve parlementslid Enoch Powell een beruchte rede die bekend zou komen te staan als de 'Rivers of Blood' speech. In een mengeling van rationeel aandoende cijfers, verhalen van ‘gewone mensen’ en apocalyptische visioenen sleept Powell zijn hoorders mee in een anti-immigratiestandpunt. De knappe redevoering geeft een goed inkijkje in de wijze van denken van een racistische tegenstander van de komst van vluchtelingen. Powell berijdt gedachtensporen die later te vinden zijn bij Fortuyn en Wilders, maar die ook verder breed in onze cultuur aanwezig zijn.

           Begin 1968 kwamen er per maand zo’n 1000 vluchtelingen naar Groot BrittanniŰ. Het waren Aziaten die Kenya ontvluchtten omdat ze daar in toenemende mate gediscrimineerd werden[1]. De Labour regering van Wilson reageerde daarop door immigratie vanuit niet-blanke landen sterk te beperken. Bij wijze van tegenwicht ontwierp de regering ook een anti-discriminatiewet die discriminatie in het openbare leven (verhuur van woningen, sollicitaties, winkels, overheid) verbood. Deze wet was de directe aanleiding voor Powells speech.
 

De gewone Engelsman en de weduwe

Powells speech is goed opgebouwd en lijkt op het eerste gezicht misschien zelfs redelijk. Enoch Powell was dan ook niet iemand van de straat. Hij beheerste vele talen en hij had klassieke talen gedoceerd in Sydney. Centraal in zijn speech staan twee verhalen van ‘gewone mensen’. De eerste is een man die hij ontmoet en die hem na enig aarzelen toevertrouwt: ‘Als ik het geld had, zou ik niet in dit land blijven…Ik heb drie kinderen. Ze hebben alle drie de middelbare school doorlopen en twee van hen zijn getrouwd en hebben een gezin. Ik zal pas tevreden zijn  als ik gezien heb dat ze allemaal geŰmigreerd zijn. In dit land zal binnen 15 tot 20 jaar de zwarte man de overhand hebben.’ Naast het verhaal van deze ‘gewone Engelsman’ stelt Powell cijfers over de toekomst. Powell presenteert prognoses van het bevolkingsregister waaruit zou blijken dat er rond 1985 zo’n 3Ż miljoen immigranten en hun nakomelingen in het Verenigd Koninkrijk zullen wonen.

Na deze nieuwe blik op de toekomst geeft Powell een nieuwe blik op het heden. Hij vertelt over een brief die hij ontving van een weduwe. Ze heeft haar adres niet durven te vermelden uit angst om aangeklaagd te worden voor racisme. ‘Het gevoel een vervolgde minderheid te zijn… is iets dat mensen zonder directe ervaring zich nauwelijks kunnen voorstellen’ stelt Powell en vertelt haar verhaal.

‘Acht jaar geleden werd in een fatsoenlijke straat in Wolverhampton een huis aan een neger verkocht. Nu woont er nog maar ÚÚn blanke, een bejaarde gepensioneerde vrouw. Dit is haar verhaal. Ze verloor haar man en beide zoons in de oorlog. Daarom veranderde zij haar huis met zeven kamers, haar enige bezit, in een pension. Ze werkte hard en het ging haar goed. Ze betaalde haar hypotheek af en begon iets opzij te leggen voor haar oude dag. Toen kwamen de immigranten. Met groeiende angst zag ze dat het ene huis na het andere werd overgenomen. De rustige straat werd een plek van lawaai en verwarring.  Haar blanke huurders verhuisden.’ Vervolgens wordt ze bedreigd. Ze weigert haar kamers aan niet-blanken te verhuren. De ruiten van haar huis worden ingegooid en ze krijgt uitwerpselen door haar brievenbus. De overheid toont geen begrip en vindt haar een racist. Immigranten bieden aan haar huis voor een schijntje te kopen. Op straat ontmoet ze kleine kinderen die geen woord Engels kennen, behalve dat ze haar uitschelden voor racist. ‘Deze vrouw is er van overtuigd dat als de nieuwe wetgeving van kracht wordt, ze naar de gevangenis moet. En heeft ze ongelijk? Dat vraag ik me af’. 

De beide voorbeelden zijn elkaars complement. Eerst wordt een man opgevoerd, die het land toekomst zou moeten verschaffen. Een goed burgerlijke Engelsman, met kinderen die hij netjes in  het leven heeft gezet. Maar voor hen ziet hij geen toekomst in Engeland. Want de zwarte man zal binnenkort de overhand hebben. In het Engels staat er ‘the whip-hand’. Figuurlijk betekent dat ‘de overhand’, maar letterlijk betekent dat ‘de hand die de zweep vasthoudt’. Boodschap: de rollen worden omgedraaid en wij worden straks slaven. Voor onze kinderen is hier geen toekomst.

Naast het beeld van de man met kinderen stelt Powell het beeld van de weduwe. Zij, de kinderloze – ze offerde haar kinderen voor Engeland – wordt geru´neerd. Niemand beschermt haar. De immigrantenkinderen die haar uitschelden zullen haar erfdeel krijgen. Daarmee is deze weduwe ook een beeld voor heel Engeland. Het huis van Engeland word bestormd, vervuild en overgenomen. Engeland blijft als een geru´neerde, kinderloze weduwe achter. Er is wel geopperd dat Powell deze beide verhalen uit zijn duim gezogen heeft. Ze passen inderdaad wel heel erg mooi in zijn betoog.  

Rivers of Blood


          Het krachtigste beeld bewaart hij voor het einde. ‘Als ik vooruit kijk word ik vervuld van een duister voorgevoel, net als de Romein, lijk ik te zien ‘de rivier de Tiber, schuimend van veel bloed’’. Powell schouwt hier in de toekomst, hij ‘kijkt vooruit’. De beelden komen ongecontroleerd over hem, alsof hij zelf niet verantwoordelijk is voor zijn woorden maar alleen doorgevingen doorgeeft. Heel helder is het beeld niet, als in een kristallen bol (I seem to see, ik lijk te zien), maar dan volgt toch een mokerslag van een beeld: een rivier schuimend van bloed. Dat beeld van de rivier van bloed is blijven hangen en heeft deze speech zijn naam gegeven.

Toch komen de woorden ‘rivers of blood’ niet voor in zijn speech. Powell spreekt over de Tiber, die schuimt van het bloed. Hij, de classicus, citeert hier de Aene´s van Vergilius.

Vergilius vertelt in het zesde boek van de Aene´s hoe Aeneas de Sybille opzoekt. De Sybille is een profetes van Apollo. Voor de Romeinen en later ook voor christenen gold zij als de profetes bij uitstek. Zij raakt in trance en voorspelt Aeneas zijn toekomst, die ook de toekomst zal zijn van de stad Rome, die door een nazaat van hem gesticht zal worden. ‘Ik zie oorlogen, huiveringwekkende oorlogen en de Tiber schuimend van het vele bloed.’ (Aene´s, VI, 87).  Op het hoogtepunt van zijn speech identificeert Powell zich met de Sybille en ziet hij als in trance verschrikkingen voor zijn geestesoog.

De Sybille spreekt pas nadat ze daar met veel geweld toe gedwongen is. Vergilius beschrijft het alsof Apollo haar verkracht (VI, 77-82). Op een zelfde manier voelt ook Powell zich gedwongen om te spreken.  Zijn tegenstanders zouden liever zien dat hij zweeg. ‘Als mensen er maar niet over zouden spreken, zou het niet gebeuren’ menen zij. Maar hij vindt dat hij moet. ‘Hier is een fatsoenlijke, gewone, mede-Engelsman die op klaarlichte dag in mijn eigen stad, tegen mij, zijn parlementslid zegt dat dit land voor zijn kinderen niet leefbaar is om in te wonen. Ik heb simpelweg het recht niet om mijn schouders op te halen en ergens anders aan te denken. Wat hij zegt, zeggen en denken duizenden en honderdduizenden’. Werd de Sybille door Apollo gedwongen, Enoch Powell wordt gedwongen door zijn kiezers, door het volk, door de fatsoenlijke, gewone mede-Engelsman.  Juist omdat hij ziet wat er gaat gebeuren, moet hij spreken. ‘Zien en niet spreken zou een groot verraad zijn’ zijn de slotwoorden van zijn speech. 

Het volk: bron van kennis en lijden

Powell ziet en dus moet hij spreken. Sinds de opkomst van Fortuyn is het in Nederland een gemeenplaats dat de politici en de pers niet de waarheid zouden spreken, problemen niet zouden kennen of zouden verzwijgen. Voor Powell, Fortuyn en Wilders is de waarheid steeds te vinden voor wie luistert naar ‘de gewone Engelsman’,  naar ‘Henk en Ingrid’, voor wie gaat kijken in de ‘oude wijken’. Voor wie luistert naar het volk is een verborgen, gnostieke, kennis te vinden.

Dat de waarheid in het ‘gewone volk’ gevonden wordt is een clichÚ uit de Romantiek. Het ‘gewone volk’ zou meer dan de vervreemde elite in direct contact staan met de natuur, met een oorspronkelijke, spontane, harmonische levenswijze, met ongecompliceerde lichamelijkheid en met authentieke gevoelens van rechtvaardigheid. Het zijn gedachten die niet alleen in het nationaal-socialisme en in het socialisme (Mao, Pol Pot) doorwerkten, maar die breed in onze cultuur verankerd liggen. Als Powell, Fortuyn en Wilders hier aan refereren, dan lijken ze plausibel, omdat dit soort gedachten zo normaal zijn.

Tegelijkertijd wordt het volk verdrukt. Ook dat is een gedachte die sterk werd in het socialisme en het nationaal-socialisme. Daar is het de arbeidersklasse of het ‘eigen volk’ dat verdrukt wordt[2]. Het is ook een gedachte die leefde in allerlei nationalistische theologieŰn van rond de Eerste Wereldoorlog, waarin de natie een lijdende gestalte is. Zo wordt het ‘gewone volk’ hier een christologische categorie: lijdend en bron van ware kennis tegelijkertijd.

Het volk is ook de godheid die Powell tot spreken dwingt en hem een apocalyptisch visioen laat zien. Het maakt Powell tot profeet van het volk. Geen bijbelse profeet, maar meer zoals een Romantische kunstenaar zichzelf ziet: verheven boven het gewone en verder kijkend, in direct mystiek contact met de godheid . Als een genie smeedt hij rationele kennis en intu´tieve schouw tot een eenheid. 

Uitwerking

Powells speech  had een grote publieke uitwerking. Hij kreeg 100.000 brieven met steunbetuigingen. Volgens een opiniepeiling was 73% van de Britten het met hem eens. Tien dagen na zijn speech vielen blanke jongeren onder het schreeuwen van ‘Powell, Powell’ West-Indische feestgangers aan. Toen de conservatieve oppositieleider Edward Heath hem ontsloeg als lid van zijn schaduwkabinet gingen dokwerkers en andere groepen arbeiders in staking. Maar Wilson gaf geen krimp. De wet werd aangenomen en een aantal jaren later aangescherpt. Powell kreeg nooit meer een voet aan de grond binnen het Britse establishment. In Britse neo-nazikringen is hij een moderne heilige en de laatste jaren zijn er poEnoch Powell was rightgingen – ook in Nederland – om hem te rehabiliteren. Daar lijkt me geen reden toe.

Waar precies de grenzen liggen van de Europese draagkracht voor het opnemen van vluchtelingen kan ik niet goed overzien. Het is een kwestie die serieuze aandacht verdient. Maar de romantische gedachtenbewegingen die van stal gehaald zijn in het conservatieve kamp rond Fortuyn en Wilders – en die al eerder zo ontspoorden in het communisme en het nationaal-socialisme – kunnen alleen maar tot nieuwe ontsporingen leiden. 

Coen Wessel




[1]  Als burgers van het Britse Commonwealth konden ze een Brits paspoort krijgen. De regering Wilson (Labour) reageerde op de toename van immigranten uit Kenya met een immigratiewet, die immigratie beperkte tot mensen die naaste familie in Engeland hadden. De Conservatieve oppositie ondersteunde deze wet.  In de praktijk zou dat er op neer komen dat immigratie uit blanke delen van het Commonwealth (Canada, AustraliŰ, Nieuw Zeeland) onbeperkt zou zijn en immigratie uit Afrika en AziŰ veel moeilijker.

[2] Pim Fortuyn is de eerste mainstreampoliticus die de autochtone Nederlanders als slachtoffers van de komst van immigranten neerzet. Bolkestein had in 1991aan het einde van een speech in Luzern ook het integratiebeleid bekritiseerd, maar hij had zich vooral gericht tegen het cultuurrelativisme van de integratie ‘met behoud van eigen identiteit’ . ‘Liberale waarden hebben een waarde die niet relatief is, maar essentieel’. Paul Scheffer keerde zich in 1999 in zijn essay over het ‘multiculturele drama’ vanuit een zelfde houding tegen het ‘gemakzuchtige multiculturalisme’. Maar waar het  Bolkestein voornamelijk gaat om het compromisloos overeind houden van liberale waarden, gaat het bij de sociaal-democraat Scheffer nadrukkelijk om de verheffing van de immigranten. Hij wil immigranten  beter bij de samenleving betrekken. Pas helemaal aan het einde van zijn betoog komen autochtone Nederlanders in beeld. En dan alleen als groep die de maatschappelijke vrede zou kunnen bedreigen. Bolkestein noch Scheffer benoemen autochtone Nederlanders als slachtoffer van de immigratie. De ‘gewone mensen’ die Powell opvoert, komen in hun betoog niet voor.

Fortuyn doet dat wel. Hij stelt dat Nederlanders in ‘de oude wijken’ het zwaar te verduren hebben onder de komst van zoveel immigranten. Daarin lijkt hij op Powell. In zijn publieke uitingen borduurt Fortuyn voort op de gedachtegang van Bolkestein over de superioriteit van de Westerse cultuur. Een nieuw element is Fortuyns kritiek op de Islam.  ‘Ik vind de Islam een achterlijke cultuur’ zegt Fortuyn op 9 februari 2002 in de Volkskrant.

Door de rel die over dit interview ontstaat moet hij zich verantwoorden bij het hoofdbestuur van zijn toenmalige partij Leefbaar Nederland. Daar houdt hij een redevoering waarin een aantal elementen uit Powells speech terugkomen.

 ‘Maar, mensen, het is vijf voor 12. Niet in Nederland, maar in Europa. En wilt u dat? Ik sta voor dit land, wat hier vijf, zes eeuwen is opgebouwd.

We hebben hier gewoon een vijfde kolonne. Laat ik nu maar alles zeggen. Een vijfde colonne. Van mensen die het land naar de verdommenis willen brengen. En daar ga ik niet voor. En ik zeg u: u mag hier blijven, maar u past u aan. Ik moet daar horen ‘Allah is groot’. Ik ben een vies varken. U bent een christenhond. Dat zeggen zij. En u (bestuur van Leefbaar Nederland C.W.) vindt dat goed..

U laat over zich lopen en ik doe het niet meer En dat is waar ik die zetels vandaan haal. Want dit land is het zat. …Het gaat om uw kinderen, om uw kleinkinderen. Waar gaat het anders om… Ik kan niet anders en ik doe niet anders. Dan maar ik afgemaakt.

Mensen hebben er meer dan genoeg van.

In mijn stad. Marokkaanse jongens, Turkse jongens die niet die Turken en die Marokkanen beroven, maar u en mij oude vrouwtjes. En de politie? Wat doen ze? Niks. Die zeggen: als je dit zegt discrimineert u. En dat verwoord ik voor het Nederlands volk. Ik sta er voor.’

Als hij later wegrijdt zegt Fortuyn tegen de verzamelde pers door het raampje van zijn auto: ‘vergis je niet ik word de minister-president van dit land’.