Luther op de middelbare school
Terug naar Homepage

Terug naar Archief

Naar Hoofdstuk
pagina Godsdienst
onderwijs

Naar Weblog
Boek van Luther
Martin LutherVandaag gaan we een preek lezen van iemand die consequenties trok uit de ideeën van de
mystiek en van allerlei soorten hervormingsbewegingen uit de 13e, 14e en 15e eeuw, Martin Luther. Hij is geboren in 1483. Hij gaat studeren, wordt priester en al snel hoogleraar (1512). Daar ontwikkelt hij zijn ideeën over hoe een mens boete moet doen voor zijn zonden .Hoe doe ik boete? Je hebt iets verkeerds gedaan en hoe komt het weer goed niet alleen bij de mensen, maar ook bij God. Wat moet je daarvoor doen?  In de middeleeuwen kon je daarvoor biechten bij een priester. De kerk bemiddelt tussen God en een mens. Bij Luther valt die bemiddelende functie weg. De mens komt alleen tegenover de hemel te staan.
Luther wordt een publiek figuur wanneer hij zijn 95 stellingen publiceert, die hij op 31 oktober 1517  aan de kerkdeur zou hebben gespijkerd. Hij ontketent daarme een geweldige volksbeweging, mensen dachten na over zijn ideeën, zijn pamfletten, boeken en preken gingen als warme broodjes over de toonbank, er vond in grote delen van Duitsland en later ook daarbuiten een radicale verandering van ideeën over geloof en kerk plaats.

Wij gaan een preek van hem lezen uit. In deze preek zie je een heel aantal van zijn grondgedachten terugkomen. De preek is gehouden op 25 februari 1526 in Wittenberg en gaat over de ontmoeting tussen Jezus en een Kanaänitische vrouw.

Om de preek beter te kunnen begrijpen zullen we eerst het bijbelverhaal lezen.
Ik vraag iemand het bijbelverhaal voor te lezen.


Mattheus 15:21-28 (NBV)

21 En weer vertrok Jezus;
hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon.
22 Plotseling klonk de roep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was:
‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David!
Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ 
23 Maar hij keurde haar geen woord waardig.                      

Zijn leerlingen kwamen naar hem toe
en vroegen hem dringend:
‘Stuur haar toch weg,
anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen.’
24 Hij antwoordde:
‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’

 25 Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor hem neer en zei:
 ‘Heer, help mij!’
26 Hij antwoordde: ‘
Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen
en het aan de honden te voeren.’
27 Ze zei:
‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’
28 Toen antwoordde Jezus haar:
‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’
En vanaf dat moment was haar dochter genezen.



Vragen

1. In vers 26 zegt Jezus: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen
en het aan de honden te voeren.’
Wie zijn de kinderen, wie zijn de honden?Jezus en de Syro-Phoenicische vrouw
Wat vind je van deze uitspraak van Jezus?

2. Wat is voor jou de boodschap van dit bijbelverhaal?

3. Luther spreekt in de preek die we zometeen gaan lezen over drie beproevingen van de vrouw in dit verhaal. Welke drie zouden dat kunnen zijn?

Ik lees het eerste deel van de preek (tot p. 107 halverwege).

De vertaling van de preek is afkomstig uit: Jaap H. van der Laan, Van God gesproken, de mooiste preken sinds de bergrede,  Amsterdam 2007, p. 105-111. Download hier deze preek.

Vragen bij het eerste deel:

1. Waarom gaat Luther hier (p. 105) over Jacob spreken?

2. (onderaan p. 106): ‘het geloof houdt zich vast aan het woord alleen’
Hoe houdt de vrouw vast aan het woord?

3. (bovenaan p. 107): het geloof ‘wikkelt zich in die woorden’
Wat betekent dat? Hoe komt de ‘wikkelmetafoor’ verder in dit stuk terug?

4. Hoe zou het woord een moederschoot kunnen zijn?

Het tweede deel van de preek  (107-109), lees ik niet. In plaats daarvan lees ik klassikaal de volgende centrale alinea

In het volgende deel van de preek staat de volgende alinea centraal:

‘Gods woord is tweeledig: het eerste woord dat hij spreekt, dat meent hij ernstig; namelijk wanneer hij de vergeving van zonden door Christus predikt. Dat is de hoeksteen waarop het geloof moet blijven rusten.
Wanneer God nu een tweede, tegengesteld woord zou spreken dat ook Gods woord zou zijn en dat met dat eerste woord in tegenspraak was, dan zou ik in zo’n geval zeggen: ‘Tweeledig zijn zijn woorden. Het eerste woord, dat God het eerst heeft gesproken, daaraan houd ik mij vast, daaraan hecht ik; want dat meende hij ernstig. Daarom blijf ik daarbij; als hij daarna het tegendeel zegt, dan deert mij dat niet. Zelfs als iedereen, ja zelfs als hijzelf een tweede, tegenovergesteld woord zou spreken, dan zou ik toch niet aflaten van dat eerste woord’

Wat is het eerste woord waaraan Jacob zich vastgreep? (Zie p. 105)
Wat is voor Jacob het tweede woord van God? (Vat het woord ‘woord’ hier ruim op).

Wat is het eerste woord waaraan de Syro-Fenicische vrouw zich vastgrijpt?
Wat is voor haar het tweede woord van God?


We lezen nu het einde van het tweede deel,

‘Zo blijft die vrouw erbij dat hij een vrome Messias is, zoals Marcus vertelt. Ze denkt: ‘Al zegt hij: “Ik ben niet naar jou toegestuurd”, wat gaat mij dat aan? Ik lig in het eerste woord als een kind in de moederschoot.’Zo slaat ze Gods woord weg met Gods woord; ze verwerpt hier God met God! Dat is nog eens een kunststuk: Gods woord verwerpen omwille van Gods woord, God verachten omwille van God!'

De preek gaat nu als volgt verder:

‘Nu geeft Christus haar nog een derde klap. Haar geloof aan het eerste woord brengt haar ertoe hem aan te roepen om hulp; maar dan gedraagt hij zich wel heel vreemd tegen haar, want hij zegt; ‘Het gaat niet aan om het brood af te nemen van de kidneren en het voor de honden te gooien.’ Dat wil zeggen; wat niet van Israël is, dat zijn honden.
Zie dat eens aan, hoe kan hij iemand zo behandelen?...

Opdracht: schrijf de preek af, in vijf zinnen (of zo).
Maak eventueel gebruik van wat je eerder hebt opgeschreven over wat voor jou de boodschap van dit bijbelverhaal is.


De leerlingen maken hun preek. Enige mogen hem (staand) voorlezen.

Daarna lezen we het derde deel van de tekst (p.109-111) klassikaal. Leesopdracht: houd in je achterhoofd je eigen preek. Wat is het verschil.

Nadat de tekst gelezen is, kom ik terug op deze vraag.

Tijdens het lezen heb ik onderstaande vragen gesteld of ze als opmerkingen gegeven.

- ‘Maar ze doet een meesterlijke zet, ze houdt hem aan zijn woord!’ (109, onderaan)
Aan welk woord houdt ze Jezus?

- ‘ze klampt zich vast aan het eerste woord, en houdt tegelijk vol dat alles wat uit Christus’ mond komt, Gods woorden zijn.’ (p. 110 1e alinea)
Hoe klampt ze zich vast aan het eerste woord?
Hoe houdt ze vol dat alles wat uit Christus’ mond komt Gods woorden zijn? Uit welke woorden van haar blijkt dat?

- ‘zij zei ja tegen het oordeel’ Hoe deed ze dat, met welke woorden?

- maak de volgende zin af, in de lijn van de preek van Luther:
‘Wie ja zegt tegen het oordeel over zichzelf, mag ook.....

- ‘De Heer maakt arm en maakt rijk; hij verlaagt en verhoogt’
wat wil dit bijbelcitaat hier in deze preek zeggen/onderstrepen?

- ik kom terug op de beginvraag: wat is het verschil tussen jouw preek en de preek van Luther


De eerste van de 95 stellingen van Luther luidt:

Luther slaat stellingen aanDa unser Herr und Meister Jesus Christus spricht: Tut Buße etc., will er, daß das ganze Leben seiner Gläubigen auf Erden eine (stete) Buße sei.

Omdat onze Heer en meester Jezus Christus spreekt: "Doe boete (of: bekeert u)” etc. (Mt 4:17), wil hij dat het hele leven van de gelovigen op aarde een voortdurende boete is.
 
Zie je dat terugkomen in deze preek?
Hoe vind je dat, dat het ‘ganze’ leven een ‘stete’ boete is? (Dit is een vraag naar het 'totalitaire' aspect van het reformatorisch denken.)


Links: een aardige, eenvoudige link over Luther is: officiële Luther-site van de EKD in het Nederlands
          een link met een aantal geschriften van Luther: geschriften van Luther in het Zeno-project
          en natuurlijk: Wikipedia-artikel  


Voor wie het tweede deel van de tektst wil lezen, volgen hier vragen en opmerkingen

Vragen en opmerkingen tweede deel

- ‘De apostelen werpen zich op als haar advocaten en zeggen tegen Jezus: ‘Wil je je schuilhouden? Dan moet je dat anders aan pakken!”...Maar hier helpt ook de voorspraak van de apostelen niets’
Volgens mij staat dit zo niet in de bijbel. Luther leest hier volgens mij de bijbel naar zijn eigen interpretatie toe. De bedoeling van deze lezing zou kunnen zijn dat Luther nog eens duidelijk wil zeggen: als je vergeving wilt, helpt ook de voorspraak van anderen niet. Jij staat zelf tegenover de hemel.

- ‘Zo wordt iemand niet alleen afgewezen door een gebaar, maar ook door het woord!’ (108, 2e alinea)
Zoek in de bijbeltekst het gebaar op, waardoor de vrouw werd afgewezen.
Zoek in de bijbeltekst het woord op, waardoor de vrouw wordt afgewezen

- ‘Zij laat zich het woord niet afnemen door een ander woord’ (108, 3e alinea)
Wat is het ene en wat is het andere woord?

- ‘Dat tweede woord wordt gesproken door Mozes’ (108, laatste alinea)
Waarschijnlijk doelt Luther hier er op dat Mozes alleen het volk Israël op het oog heeft met zijn wetgeving en niet andere volkeren. Het woord dat door Mozes is gesproken is de wet van Mozes, de eerste vijf boeken van de bijbel.

- ‘Zo slaat ze Gods woord weg met Gods woord; ze verwerpt God met God!’ (109, 3e alinea)
Wat is het ene woord van God en wat het andere?