Sint Maarten op de middelbare school
Terug naar Homepage

Terug naar Archief


       
             
Sint Maarten optocht
Wat is dit? De lampion van de Sint Maartenoptocht.
Kennen jullie het verhaal van Sint Maarten? Kom op vertel het me. Wat was het beroep van Sint Maarten? De leerlingen vertellen het verhaal. De docent schrijft elementen op het bord.

We gaan dit bekende verhaal over Sint Maarten nu lezen zoals het opgeschreven is door iemand die het leven van Sint Maarten in 396 beschreven heeft.

De schrijver, Sulpicius Severus, heeft verteld dat Sint Maarten, Martinus, soldaat is - min of meer tegen zijn wil - en dat hij steeds meer goede werken doet, hoewel hij nog niet gedoopt is. Dan gaat het verhaal als volgt verder:


‘Op een dag, toen Martinus al niets meer bezat dan zijn wapens en zijn simpele wapenrok, kwam hij bij de poort van de stad Amiens een naakte arme tegen. Het was midden in de winter, die abnormaal streng was, zo streng dat velen van de bittere kou waren omgekomen. De bedelaar smeekte de voorbijgangers zich over hem te ontfermen; maar allemaal gingen zij de ongelukkige voorbij. De Godsman begreep, dat, nu de anderen geen ontferming betoonden, die arme voor hem was weggelegDroom van Sint Maartend. Maar wat kon hij doen? Hij had niets dan de mantel waarin hij gekleed was; de rest had hij al eerder weggegeven. Hij greep daarom het zwaard dat hij droeg, deelde zijn mantel doormidden en gaf het ene stuk aan de arme; wat overschoot trok hij weer aan. Ondertussen waren er tussen de omstanders enigen, die lachten, omdat hij er met zijn afgescheurde mantel mismaakt uitzag. Maar velen, gezonder van geest, zuchtten diep, dat zij iets dergelijks niet hadden gedaan, hoewel zij, welgestelder, de arme hadden kunnen kleden zonder zichzelf uit te kleden.

Maar de volgende nacht, toen Martinus in slaap verzonken lag, zag hij Christus, bekleed met het stuk mantel, waarin hij de arme had gehuld. Martinus kreeg het bevel, de Heer aandachtig aan te zien en het kleed dat hij had gegeven als het zijne te erkennen. Toen hoorde hij Jezus met heldere stem zeggen tot de menigte om hem heen staande engelen: ‘Martinus, die nog maar catechumeen (nog niet gedoopt, geloofsleerling) is, heeft mij met dit kleed bedekt’. Zo heeft de Heer erkend - zijn eigen woorden indachtig, vroeger door hem gesproken: ‘Alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie aan mij gedaan’ (Mattheus 25:40) - dat in de arme hijzelf gekleed was; en om het getuigenis van dit zo goede werk te bevestigen heef hij zich verwaardigd, zich te vertonen in het kleed dat de arme had gekregen.
Na dit visioen heeft de heilige man zich niet in roem der mensen verhovaardigd, maar in zijn eigen werk Gods goedheid erkennend, heeft hij zich, twee en twintig jaar oud, laten dopen'.


Sint Maarten Anthonie van Dyck                                                                                                                                                                                                                                                                                           Sint Maarten gevelsteen Trier                                    
Vragen: welke elementen ontbreken op het bord? Mogelijke antwoorden: twee verschillende reactie van de omstanders: spot en inkeer, verschijning van Christus. 
Als de kinderen langs de deuren gaan met lampionnen, zoals in vele streken van Nederland  spelen zij het verhaal na.Welke
rol spelen zij? In welke rol pressen zij de   mensen bij wie ze aanbellen? Wat symboliseert het lichtje? 
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                    

Het verhaal is geschreven door Sulpicius Severus. Hij werd rond 360 geboren in de buurt van Bordeaux. Hij maakte carriëre als advocaat en trouwt een rijke vrouw. Maar na de vroege dood van zijn vrouw wendt hij zich tot de ascese. Hij hoort veel verhalen over Martinus en in 396 besluit hij hem te gaan ontmoeten en reist hij naar hem toe en ontmoet hij hem ook. Hij schrijft nog in dat zelfde jaar het boek ‘het leven van Martinus’ waar het beroemde fragment dat we gelezen hebben aan ontnomen is. Hij publiceert het - heel handig - vlak na de dood van Martinus in November 397. Het boek wordt een regelrechte bestseller. In Rome zouden de mensen er om gevochten hebben en de boekhandelaren zouden handen tekort gekomen zijn om copieën te laten maken, want boeken werden in dit tijd overgeschreven door gespecialiseerde copiïsten.

Waarom is dit boek nu zo’n bestseller geweest?
Wat zeker meespeelde is dat dit het eerste heiligenleven van iemand uit West-Europa was. Er bestonden wel al heiligenlevens over woestijnmonniken (van Hieronymus). Maar dat was toch een beetje een zaak van heel ver weg. Maar dit was een heiligenleven in een min of meer bekende omgeving temidden van mensen die men gekend had of die men zich zeer goed kon voorstellen..
Maar het is ook een bestseller geworden, naar mijn mening, omdat het in een andere behoefte voorzag. Het was een geschrift waarin de nadruk lag op het leven van een bijzonder christen. Het was een heldenverhaal over een bijzondere christen, waarin de christen zijn heldhaftigheid in het geloof toont door zijn leven en niet - en dat is de vernieuwing - door zijn sterven.

In de kerk zijn er altijd mensen geweest die heiligen werden genoemd, maar daar zie je een ontwikkeling in. In de tweede eeuw is de term heilige gereserveerd voor iemand die de marteldood gestorven was. Zo iemand is heilig en dat betekent dan vooral: van zo iemand weet je zeker dat hij in de hemel is en in de omgeving van God verkeert. Je kan tot hem of haar bidden en om voorspraak bij God vragen. In de derde en het begin van de vierde eeuw worden ook mensen heilig genoemd die in de gevangenis geworpen zijn of voor het gerecht gedaagd zijn. Maar in de loop van de vierde eeuw kunnen ook mensen heilig genoemd worden die rustig in hun bed gestorven zijn en ook niet in de gevangenis gezeten hebben, maar met hun leven van God getuigd hebben.
Polycarpus op de brandstapel
De nadruk op het sterven van de heilige zie je heel goed als je het heiligenleven over Martinus vergelijkt met wat er over een martelaar uit de tweede eeuw geschreven wordt. We hebben daar een geschrift over dat het Martyrium van Polycarpus hee Polycarpus te vertellen op het moment dat de vervolgingen beginnen die tot de dood van Polycarpus leiden rond het jaar 155. Polycarpus is dan bisschop van Smyrna (Izmir). Er wordt in dit geschrift verteld, hoe Polycarpus niet vrijwillig het martelaarschap zoekt, maar ook niet echtt. Het geschrift begint over vlucht. Hoe hij naar de arena geleid wordt, op de brandstapel komt, maar door goddelijk ingrijpen verbrand hij niet en uiteindelijk wordt hij onthoofd. Maar er wordt niets verteld over zijn leven: alle aandacht ligt op zijn sterven, op zijn martelaarschap: daarin is hij de getuige van Christus.

Ik laat jullie daar het begin van lezen.


Martyrium van de heilige Polycarpus, bisschop van Smyrna



De gemeente van God die als vreemdeling verblijft in Smyrna aan de gemeente van God die als vreemdeling verblijft in Philomelia en aan alle gemeenten van de heilige en algemene (katholieke) kerk op iedere plaats: genade, vrede en liefde van God de vader en van onze Heer Jezus Christus worde vermeerderd.

I. Wij hebben jullie geschreven, broeders en zusters, over wat de martelaren betreft en speciaal over de gelukzalige Polycarpus, die een einde maakte aan de vervolging, door deze als het ware te bezegelen met zijn martelaarschap. Want bijna al het voorgaande is geschied, opdat de Heer ons van boven een martelaarschap overeenkomstig het evangelie zou tonen.
2. Want hij (= Polycarpus) wachtte, opdat hij zou worden overgeleverd, zoals ook de Heer, opdat ook wij navolgers van hem zouden worden, niet slechts ziende op wat van ons zelf is, maar ook op wat van onze naasten is. Want het hoort bij een waarlijke en gefundeerde liefde, niet slechts zichzelf te willen redden, maar ook alle broeders en zusters.
               

ΜΑΡΤΥΡΙΟΝ ΤΟΥ ΑΓΙΟΥ ΠΟΛΥΚΑΡΠΟΥ 
ΕΠΙΣΚΟΠΟΥ ΣΜΥΡΝΗΣ

Ἡ ἐκκλησία τοῦ θεοῦ ἡ παροικοῦσα Σμύρναν τῇ ἐκκλησίᾳ τοῦ θεοῦ τῇ παροικούσῃ ἐν Φιλομηλίῳ καὶ πάσιας ταῖς κατὰ πάντα τόπον τῆς ἁγίας καὶ καθολικῆς ἐκκλησίας παροικίαις· ἔλεος, εἰρήνη καὶ ἀγάπη θεοῦ πατρὸς καὶ κυρίου ἡμῶν Ἰησου Χριστοῦ πληθυνθείη.

I1. Ἐγράψαμεν ὑμῖν, ἀδελφοί, τὰ κατὰ τοὺς μαρτυρήσαντας καὶ τὸν μακάριον Πολύκαρπον, ὅστις ὥσπερ ἐπισφραγίσας διὰ τῆς μαρτυρίας αὐτοῦ κατέπαυσεν τὸν διωγμόν. σψεδὸν γὰρ πάντα τὰ προάγοντα ἐγένετο, ἵνα ἡμῖν ὁ κύριος ἄνωθεν ἐπιδείξῃ τὸ κατὰ τὸ εὐαγγέλιον μαρτύριον. 
2. περιέμενεν γάρ, ἵνα παραδοθῇ, ὡς καὶ ὁ κύριος, ἵνα μιμηταὶ καὶ ἡμεῖς αὐτοῦ γενώμεθα, μὴ μόνον σκοποῦντες τὸ καθ’ ἑαυτούς, ἀλλὰ καὶ τὸ κατὰ τοὺς πέλας. ἀγάπης γὰρ ἀληθοῦς καὶ βεβαίας ἐστίν, μὴ μόνον ἑαυτὸν θέλεῖν σώζεσθαι, ἀλλὰ καὶ πάντας τοὺς ἀδελφούς.

                           


- ‘Als vreemdeling verblijven’. De christenen zijn vreemdelingen en bijwoners (Hebreeën 11:13, I Petrus 2:11). Ze hebben hun vaderhuis niet hier, maar bij God.
- gelukzalig: omdat hij nu bij God is. Vergelijk de zaligsprekingen (Mattheus 5:1 e.v.)
- ‘die een einde maakte aan de vervolging’: de gedachte is dat Polycarpus door zijn dood de vervolgingen deed stoppen. Waarom dat zo is weet ik niet precies: misschien zullen de autoriteiten gedacht hebben: als we de leider hebben, is het genoeg. Maar misschien maakte zijn dood wel zoveel indruk dat de autoriteiten van verdere vervolgingen afzien. Ik heb dit nog niet nagekeken in de literatuur. Hoe dan ook: er is een overeenkomst met de dood van Christus, die ook voor anderen stierf.
Polycarpus op postzegel- ‘al het voorgaande is geschied’: alles is gericht op het martelaarschap van Polycarpus.
- Polycarpus vlucht niet, hij wacht af (op een boerderij buiten de stad) tot zijn vervolgers hem op komen halen, net als Christus niet vluchtte in Gethsemané.
- Hij deed dat opdat ook wij navolgers, imitatoren, van Christus zouden worden. Door ook zo te doen dat wij het leven van anderen boven ons eigen leven plaatsen. Ik denk dat het zo geformuleerd is dat het in de eerste plaats slaat op een eventuele nieuwe marteldood, maar het is ook algemener geformuleerd: zo moet je leven. Het cursieve gedeelte is een omspeling van Philippenzen 2:4.


Maar vanaf het begin van de vierde eeuw komt er een omslag. Niet alleen maar martelaren of vervolgden worden heiligen genoemd, maar ook mensen die met hun leven van Christus getuigen.

 
Heeft iemand daar een verklaring voor. Weten jullie welke omwenteling er op politiek en godsdienstig gebied plaatsheeft aan het begin van de vierde eeuw, waardoor dit komt. Constantijn is dan keizer.


In 313 komt er een einde aan de christenvervolgingen en snel daarna wordt het christendom staatsgodsdienst. Er kwamen dus geen martelaren meer.
Het ideaal voor het vormgeven van het christelijke leven is nu niet meer het sterven als martelaar, en op die manier in de voetsporen van Christus treden maar het leven van een heilig leven in het spoor van Christus. 

Maar dat heilige leven is niet ons heilige leven!

 Mother TheresaWat zou voor ons een heilig leven zijn?Aan wNelson Mandelaelke grote figuren denk jedan? 

Bij het leven van een heilige in de tijd van Martinus behoren vooral verhalen over genezingen die zo iemand kon doen en bij Martinus gaat het ook speciaal over zijn vermogen om duivels en boze geesten te herkennen en uit te drijven. De kerkelijke opdracht die hij na zijn doop krijgt is namelijk die van exorcist, duiveluitdrijver, pas later wordt hij bisschop. Een groot aantal verhalen gaat dan ook over de confrontatie van Martinus met duivels en boze geesten. Over Martinus die een boze geest uitdrijft uit een koe. Bij die duiveluitdrijving moet je je voorstellen dat ook de de goden van de  Romeinen als duivels golden. Er zijn dan ook veel verhalen over Martinus die Romeinse tempels verwoest. Sint Maarten is geen multiculturalist, je zou hem kunnen vergelijken met de Taliban die in 2001 in Afghanistan reuzenhoge Boeddhabeelden vernielden. De mensen zijn dan ook niet alleen maar blij als hij komt, de verhalen in dit heiligenleven gaan er over hoe hij de woedende menigte boeren op wonderbaarlijke wijze van het lijf houdt. Wat heeft het voor zin, denk je dan, om iemands tempel te verwoesten, terwijl je de bewoners tegen je in het harnas jaagt. Nou, het gaat er om de kracht van Christus te demonstreren en om het landschap van duivels en geesten te bevrijden. Wij zijn gericht op mensen, bij Martinus gaat het er ook om om het landschap en de wereld te bevrijden voor God.

Het zal duizend jaar duren voordat de ethiek de centrale plaats in het christendom krijgt die hij nu heeft. De ethiek is er altijd geweest, maar de grote nadruk op de ethiek, zoals in onze dagen, komt op die manier in het christendom van Martinus niet voor. Ook al deelt hij dan zijn mantel.

Omdat de verhalen over duiveluitdrijvingen eigenlijk vrij saai zijn heb ik een stuk genomen over een andere confrontatie van Martinus met de duivel.

‘Ik mag evenwel niet onvermeld laten, met hoe grote listen de duivel Martinus ongeveer tezelfder tijd heeft verzocht. Want op zekere dag kwam de duivel met een heilgroet bij hem in de cel staan, terwijl Martinus aan het bidden was; de satan was door licht omstraald en had zich ook gekleed in een purperen koningskleed, om hem des te gemakkelijker te bedriegen met de schittering van de gloed, die hij had aangenomen; hij droeg een diadeem van edelstenen en goud en schoeisel, beschilderd met goud; rustig was zijn gelaat, blijmoedig zijn voorkomen, zodat men hem voor alles behalve de duivel zou houden. Martinus stond bij de eerste aanblik van hem met stomheid geslagen; en lang bewaarden beiden een diep stilzwijgen. Toen begon de duivel: ‘Herken, Martinus, wie gij ziet: ik ben Christus; nu ik naar de aarde ga afdalen heb ik mij eerst aan u willen openbaren’. Toen hierop Martinus bleef zwijgen en niet het minste antwoord gaf, waagde de duivel zijn brutale uitspraak te herhalen: ‘Martinus, wat aarzelt gij te geloven, ofschoon gij ziet? Ik ben Christus’. Toen zei hij, naar de openbaring van de Geest die hem deed begrijpen dat het de duivel was, en niet de Heer: ‘Niet heeft Jezus de Heer voorzegd, dat hij in het purper en met een stralende diadeem zou komen; wat mij betreft, ik zal niet geloven, dat Christus anders is gekomen dan in de gedaante en het uiterlijk waarin hij geleden heeft, dan tonende de wonden van het kruis’. Op dat woord is de duivel terstond als een damp verdwenen en heeft de cel vervuld met zo’n stank, dat hij het onmiskenbaar bewijs achterliet, de duivel te zijn geweest. Dat dit dan is geschied, zoals ik hierboven heb verhaald, heb ik uit Martinus’ eigen mond vernomen; niemand houde dus mijn verhaal voor een verzinsel.’

(Vertaling: C.W. Mönnich, Reidans der heiligen, Martinus van Tours, Amsterdam 1962, p.40-41)

Vragen en opmerkingen:

1. Regel 2: ‘heilbede’ . Denk aan zoiets als: Ave, Martinus, begenadigde onder al Gods heiligen. Kortom: de duivel maakt een eervol compliment.

2. Over de kleding van de duivel: vergelijk Openbaring 17:3 en volgende:

 Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar de woestijn. Ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest vol godslasterlijke namen, met zeven koppen en tien horens. 4 Ze droeg purperen en scharlakenrode kleren en gouden sieraden, edelstenen en parels. In haar hand had ze een gouden beker vol gruwelijkheden, al haar liederlijke wandaden, 5 en op haar voorhoofd stond een naam met een geheime betekenis: ‘Het grote Babylon, moeder van alle hoeren en van alle gruwelijkheden ter wereld’. 6 Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd. Ik was ontzet toen ik haar zag.

3. ‘Nu ik naar de aarde ga afdalen heb ik mij eerst aan u willen openbaren’. Wat beoogt de duivel met deze uitspraak?

4. Waar duidt het op dat Martinus met stomheid is geslagen? Antwoord: onzekerheid.

5. Lees Johannes 20:24 en volgende:

24 Een van de twaalf, Tomas (dat betekent ‘tweeling’), was er niet bij toen Jezus kwam. 25 Toen de andere leerlingen hem vertelden: ‘Wij hebben de Heer gezien!’ zei hij: ‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.’ 26 Een week later waren de leerlingen weer bij elkaar en Tomas was er nu ook bij. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jezus in hun midden staan. ‘Ik wens jullie vrede!’ zei hij, 27 en daarna richtte hij zich tot Tomas: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’ 28 Tomas antwoordde: ‘Mijn Heer, mijn God!’ 29 Jezus zei tegen hem: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’Sint Maarten Domkerk Utrecht

Noem twee overeenkomsten tussen dit verhaal uit de bijbel en het (einde van dit) verhaal over Martinus.

6. Welke overeenkomst zie je tussen dit verhaal en het verhaal over Martinus en de bedelaar? 

7. Waarom denk je wordt er in de tijd na Constantijn zo de nadruk op gelegd dat Christus niet de gestalte van een koning heeft?
Antwoord: het christendom was nu staatsgodsdienst en opgerukt naar het centrum van de macht. Dat bracht ook verwarring over de eigen rol en identiteit met zich mee en de verzoeking om samen te vallen met de koningsmacht en de staatsmacht.



Lees hierover ook het volgende verhaal:

‘Om in de krans van zo grote daden kleinere te vlechten (hoewel het naar de maat van onze dagen, waarin alles al verknoeid en bedorven is, bijna het toppunt van grootheid is, als een standvastig priester er niet aan heeft toegegeven, een vorst te vleien): toen vele bisschoppen uit allerlei delen van de wereld keizer Maximus erkenden, een man van rauwe inborst en hoogmoedig door zijn overwinning in de burgertwisten, kwam de afschuwelijke vleierij van hen allen tegenover de vorst aan het licht. Maar alleen in Martinus hield het apostolisch gezag stand. Want ook als hij voor bepaalde mensen de keizer iets te vragen had, beval hij eerder dan dat hij verzocht en hoewel vaak genood bleef hij weg van zijn tafel.

Martinus gaat dan uiteindelijk wel met keizer Maximus aan tafel en dan gebeurt het volgende:Sint Maarten bij de keizer

Daar waren dan de tafelgenoten, als voor een feestdag samengeroepen, de hoogstgeplaatste en aanzienlijkste mannen; de prefect, tegelijk consul Euodius, een volstrekt rechtvaardig man, twee onderkoningen, met de hoogste macht beklee, de broeder en de oom van de vorst. In hun midden lag de priester van Martinus aan, zelf zat Martinus op een stoel, die naast de keizer was geplaatst. Ongeveer tegen het midden van de maaltijd, zoals gebruikelijk is, bood een dienaar de vorst een drinkschaal aan. Deze beval de schaal eerst aan de heilige bisschop aan te bieden, in de ambitieuze verwachting dat hij de beker uit diens hand mocht ontvangen. Maar toen Martinus er uit had gedronken, gaf hij de schaal aan zijn priester over, want hij achtte niemand meer waardig als eerste na hem te drinken dan de priester. En hij meende dat het niet goed zou zijn, wanneer hij de vorst zelf of hen, die in rang dadelijk na de vorst kwamen, boven de priester zou stellen. Deze daad hebben de keizer en alle toen aanwezigen dermate bewonderd, dat hun juist die handeling, waarin zij gering geacht waren, behaagde. In heel het paleis werd algemeen bekend, dat Martinus aan de tafel van de vorst had gedaan wat bij de maaltijden der laagste ambtenaren niemand van de bisschoppen had gedaan.

                       
Wat wordt hier bedoeld met het apostolische gezag in de verhouding tot de keizer? Welk ideaal zit hier achter? Waarom viel het gedrag van Martinus vooral op?


Vertalingen naar: C.W. Mönnich, Reidans der heiligen, Martinus van Tours, Amsterdam 1962,  p.19-20, 40-41, 35-36
Zie over heiligen: artikel over heiligen in de Wikipedia of Gottesdienst der Kirche, Handbuch der Liturgiewissenschaft, Teil 6,1, Feiern im Rhytmus der Zeit II/1 von P. Harnoncourt und H. Auf der Maur, Regensburg 1994
Op deze site is de Latijnse tekst van het leven van Martinus van Tours te vinden.