De Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen

Terug naar Homepage

Terug naar Archief

Terug naar Liturgiek

In 1869 rolde de Vervolgbundel van de persen 1. Na meer dan twintig jaar discussie en kerkstrijd werden de Evangelische Gezangen2, de eerste gezangenbundel van de Nederlandse Hervormde Kerk,  met 82 gezangen aangevuld.
Tot nu toe bood het boek van A. W. Bronsveld, Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen
3, het meest volledige overzicht van de strijd rond de samenstelling van de Vervolgbundel. Dit overzicht in dit postuum verschenen werk bevat echter niet veel meer dan een uittreksel van de Handelingen van de Synode. Het onderstaande artikel is geschreven op basis van een veel uitgebreider archiefonderzoek4.
De discussies en kerkelijke gevechten rond de Vervolgbundel worden in de jaren '50 gedomineerd door de discussies en gevechten over de zeggenschap over de Vervolgbundel. In de zestiger jaren domineert de richtingenstrijd de discussies en gevechten rond de Vervolgbundel.

Zeggenschap

Het initiatief om tot een aanvulling van de Evangelische Gezangen te komen is afkomstig van de commissie van toezigt op den druk en de uitgaven der Evangelische Gezangen5. Deze commissie had tot taak om het contakt met de uitgever van de Evangelische Gezangen te onderhouden en exemplaren van de Evangelische Gezangen te authentiseren door er een handtekening in te plaatsen. De commissie van toezigt bestond uit zes leden, benoemd door de synode op voordracht van de provinciale synodes6. De leden van de commissie kregen van de uitgever per gesigneerd exemplaar f 0,05. Tussen 1848 en 1872 schommelen de inkomsten van een commissielid tussen de f 97 en de f 262 per jaar7. Lidmaatschap van deze commissie was dus een lucratieve aangelegenheid.
De commissie van toezigt treedt in 1846 in functie, na het overlijden
van de laatst levende samensteller van de Evangelische Gezangen. In 1847 doet de commissie van toezigt de synode het voorstel de commissie van toezigt te belasten met het verzamelen van enkele gezangen8. In 1848 wordt de commissie van toezigt inderdaad met deze opdracht belast9.

Volgens een rapport uit de synode van 1847 gaat het om een zeer beperkte opdracht: „Men wenscht alleen onder den titel van Vervolg van Evangelische Gezangen, de thans gebruikt wordende, bij doorlopend nommer, met nog eenige weinigen, hoogstens twee vellen druks uitmakende, te vermeerderen"10. Men denkt daarbij aan gezangen „geschikt om vooral bij zoodanige plegtige Godsdienstoefeningen gebruikt te worden, als in den bestaanden bundel of te weinig, Of in het geheel niet zijn in aanmerking genomen"11. Volgens dit rapport zou een deel van de opbrengst van de Vervolgbundel het Predikanten-Weduwenfonds ten goede moeten komen. De commissie van toezigt zou ook de commissie van toezigt voor de Vervolgbundel moeten worden12

De commissie van toezigt is echter niet in staat om de aan haar verstrekte opdracht vlot uit te voeren. Pas in 1853 presenteert zij aan de synode zestien gezangen. Deze zestien gezangen, door de commissie van toezigt na een ochtend vergaderen uitgekozen, worden door de synode afgekeurd13.

Dat de commissie van toezigt niet in staat is haar opdracht naar behoren uit te voeren wekt bij ons geen verbazing: de commissie vergadert slechts een keer per jaar; haar leden zijn niet in de eerste plaats kenners van het kerklied, maar hebben deze lucratieve funktie toegeschoven gekregen op grond van hun verdienste voor de kerk.

De synode van 1853 neemt nog een ander besluit aangaande de Vervolgbundel: de commissie van toezigt blijft weliswaar nog een jaar belast met de opdracht tot het verzamelen van gezangen, maar zij dient zich in verbinding te stellen met de synodale commissie „tot gemeenschappelijk overleg en zamenwerking"14.

De synodale commissie wacht niet tot de commissie van toezigt contact met haar opneemt. In haar najaarsvergadering van 1853 benoemt zij drie gecommitteerden die de opdracht krijgen gezangen te verzamelen. Daarnaast dienen zij er op te letten dat de auteursrechten van de Vervolgbundel aan de kerk toevallen. De synodale commissie is namelijk van een zaak goed doordrongen: het geld dat met de Vervolgbundel verdiend wordt moet de kerk ten goed komen. Wat met de Evangelische Gezangen in 1805 gebeurd is mag zich nooit meer herhalen: toen sloten de afgevaardigden van de provinciale synoden, belast met de samenstelling van de Evangelische Gezangen, zelfstandig een contract met een uitgever. In dit contract is de NHK buitenspel gezet: de afgevaardigden kregen een som gelds en de uitgever werd eigenaar van de auteursrechten. Zo is de situatie ontstaan dat de NHK nauwelijks meer zeggenschap heeft over haar gezangenbundel en er geen cent aan verdient. Ongerustheid over een herhaling van 1805 leeft breder in de kerk. In juni 1857 bereiken twee brieven van Friese predikanten de synode. Zij pleiten voor een onbeperkte verspreiding van een nieuwe bundel15.

De gecommitteerden uit de synodale commissie nemen contact op met de commissie van toezigt. Zij komen overeen dat voortaan beide commissies gezangen zullen verzamelen. De commissies zullen elkaar hun voorstellen toezenden en beoordelen16. De synode van 1854 bevestigt deze afspraak17

Nu de synodale commissie ook officieel belast is met het verzamelen van gezangen voor een Vervolgbundel, trekt zij zich nog maar weinig aan van de commissie van toezigt. De synodale commissie plaatst in het najaar van 1854 zonder overleg met de commissie van toezigt in de Kerkelijke Courant een oproep aan de vaderlandse dichters om gezangen voor een Vervolgbundel in te zenden naar de synodale commissie. Op deze wijze monopoliseert de synodale commissie de ontvangst van gezangen. De synodale commissie verzamelt ook gezangen voor meerdere gelegenheden dan het rapport voor de synode van 1847 voorschreef. Voor de commissie van toezigt is dit een ondermijning van het rapport uit 1847, dat haar belastte met het verzamelen van gezangen en haar het authentisatierecht voor een Vervolgbundel gaf. Haar protesten18 zijn echter tevergeefs. Bovendien verzendt de synodale commissie de door haar verzamelde gezangen zo laat dat ze pas enkele dagen na de jaarlijkse vergadering van de commissie van toezigt arriveren19. In 1857 en 1858 vermeldt de synodale commissie niet eens meer de titels van de door haar verzamelde gezangen. Zo wordt de commissie van toezigt langzamerhand buitenspel gezet.

In 1859 doet de uitgever van de Evangelische Gezangen, de Evangelische Gezangencompagnie, de synodale commissie het voorstel de nieuwe bundel zo uit te geven dat 50% van de prijs van de bundel aan de kerk zal toevallen, 40% aan de uitgever en dat 10% voor de authentisatie zal worden uitgetrokken20. De synodale commissie lijkt nu haar belangrijkste doel bereikt te hebben: de opbrengst van de nieuwe bundel zal voor een groot deel de kerk ten goede komen. Het contract dat de Evangelische Gezangencompagnie in 1866 met de synodale commissie sluit is echter aanzienlijk minder voordelig voor de kerk. Volgens dit contract ontvangt de NHK van ieder verkocht exemplaar van de Vervolgbundel, afhankelijk van het formaat, 20% of 40% van de handelsprijs21. De Evangelische Gezangencompagnie trekt haar offerte uit 1859 namelijk terug. Wanneer zij bemerkt dat zij het auteursrecht van vele voor de Vervolgbundel gekozen gezangen bezit, legt zij het mes op tafel. Op 31 oktober 1865 schrijft zij de synodale commissie dat haar aanbod uit 1859 alleen gegolden had als er sprake was geweest van een bundel met geheel nieuwe gezangen. Maar aangezien de meeste liederen reeds eerder in druk verschenen zijn en daardoor niet meer vrij van auteursrechten zijn, kan dit aanbod niet meer gelden. De Evangelische Gezangencompagnie ontraadt de gecommitteerden naar een andere uitgever te gaan: de Evangelische Gezangencompagnie, bezitter van het auteursrecht van vele geselecteerde gezangen, zou beslist haar medewerking weigeren aan een uitgave bij een andere uitgeverij22.

Het contract van 1866 bepaalt voorts dat exemplaren van de Vervolgbundel door het moderamen van de synodale commissie worden geauthentiseerd. De commissie van toezigt is op geen enkele wijze bij de uitgave van de Vervolgbundel betrokken.
De commissie van toezigt wordt ook niet meer betrokken bij het bepalen van de inhoud van de Vervolgbundel. Wanneer zij in 1860 klaagt over de gebrekkige samenwerking met de synodale commissie
23, krijgt zij nog wel de uitnodiging twee gecommitteerden aan te wijzen voor de door de synodale commissie ingestelde commissie. Maar deze twee gecommitteerden, H. Woerman en J. S. Wor, spelen in deze commissie verder geen rol. Zij kunnen niet verhinderen dat de commissie besluit niet alleen gelegenheidsgezangen te verzamelen, maar om „ook in elk ander opzigt den bestaande bundel zoveel mogelijk te verrijken"24. Slechts eenmaal doet Woerman een voorstel een lied op te nemen. Hij is echter gedwongen zijn voorstel terug te nemen 25. Wanneer de commissie in 1863 haar opdracht teruggeeft heeft de commissie van toezigt ook al haar invloed op de inhoud van de Vervolgbundel verloren.
Ook voor de gecommitteerden uit de synodale commissie blijkt het echter niet makkelijk te zijn gezangen te verzamelen. De respons op de oproep in de Kerkelijke Courant is bijzonder mager. Pas in het zittingsjaar 1857-1858 komt er schot in de zaak. Op de voorjaarsvergadering van de synodale commissie van 1858 presenteren de gecommitteerden een bundel met 46 liederen
26. De synodale commissie benoemt de secretaris van de synode H. P. Timmers Verhoeven en de predikanten W. P. R. Bouman en D. Pijzel tot een commissie, die de Vervolgbundel moet voltooien. Het voorstel de predikant-dichter R. Bennink Janssonius in deze commissie te benoemen wordt verworpen. Men vindt het ongewenst leden in de commissie te benoemen „die zelven reeds bouwstoffen voor den bundel geleverd hebben"27.
Deze commissie onderwerpt de 46 verzamelde liederen aan een kritiek en keurt er 27 af 28. Bouman en Pijzel — Timmers Verhoeven moet zich wegens ziekte terugtrekken — verzamelen voorts 69 nieuwe liederen. Zij bieden deze selectie aan de synode van 1859 aan. In hun begeleidingsbrief schrijven zij ontevreden te zijn over hun selectie29. De synode deelt deze ontevredenheid en geeft de commissie opdracht scherper te selecteren30. Bouman en Pijzel doen nog een poging om betere gezangen te verzamelen. Zij sturen een circulaire aan de vaderlandse dichters. Als ook deze oproep nauwelijks resultaten oplevert, leggen zij hun taak neer31.

Richtingenstrijd

De synode van 1860 ziet dat het werk aan de Vervolgbundel nog steeds niet vlot en zij beveelt de synodale commissie aan „een of meer dichters"32 aan de commissie voor de Vervolgbundel toe te voegen. De synodale commissie kiest daarop de dichters Barend ter Haar en Nicolaas Beets tot leden van de commissie uit een voordracht, die voorts bestaat uit R. Bennink Janssonius, J. J. L. ten Kate, P. Parson, E. Laurillard en J. P. Heije33.
                                                                        

  Nicolaas Beets              Bernard ter Haar       J.L. Doedes           P. Hofstede de Groot

       Nicolaas Beets                            Barend ter Haar                   J.L. Doedes                Petrus Hofstede de Groot

Onder hun leiding weet de commissie — die verder bestaat uit J. S. Wor, H. Woerman en S. F. van Hasselt, de opvolger van Timmers Verhoeven als secretaris van de synode — een bundel samen te stellen die 92 liederen bevat. De bundel bevat liederen van Van Alphen, Beets (10x), van den Bergh (2x), Mevr. Bilderdijk, B. de Bosch, da Costa, Dwars (5x), Mevr. Elter (2x), Francken (2x), van Groningen (2x), ter Haar (12x), Mevr. Hartman, Hasebroek, Bennink Janssonius (9x), Camphuijzen, ten Kate (16x), Koenen (3x), de Liefde (3x), Moens, Parson, Potgieter, Adama van Scheltema (3x), Sesbrugge, Schimsheimer, Tollens, Veder, Warnsinck (3x) en Withuijs waaronder vertalingen vaneen aantal klassiek reformatorische liederen van Luther, Joh. Altenburg, Paul Gerhard, Leo Judae, Tersteegen en Louise Henriétte van Brandenburg34. Het valt ons op dat in deze concept-Vervolgbundel de kerk in haar voile breedte aanwezig is. Dat met name ook de rechtervleugel van de kerk (o.a. Beets, Hasebroek), ja zelfs een aantal Reveil-auteurs (Mevr. Bilderdijk, da Costa, Koenen) in deze bundel opgenomen is, is opmerkelijk. De rechtervleugel van de kerk is immers altijd buiten de belangrijkste bestuursorganen gehouden en juist in deze jaren wint het modernisme in kerk en theologie aan invloed. Moderne liederen ontbreken in deze concept-Vervolgbundel.
De synode van 1862 benoemt een commissie om deze concept-Vervolgbundel te beoordelen. De Groningse hoogleraar W. Muurling, die in deze jaren overgaat tot de moderne richting, is een van de drie commissieleden.
De commissie maakt bij de afzonderlijke gezangen 150 aanmerkingen en stelt voor 16 gezangen in ieder geval te schrappen. In haar rapport aan de synode formuleert de commissie een meer algemene kritiek
35. Zij schrijft vooral behoefte te hebben aan gezangen „voor onzen tijd", dat zijn gezangen die „met de taal, de zeden en de denkwijze van dien tijd ... in overeenstemming" zijn. „Op de eigenaardige eischen van den tegenwoordigen tijd moet alzoo worden gelet; zijne zonden moeten beleden en bestreden worden; de rigting des geestes, die de tweede helft der negentiende eeuw kenmerkt, moet worden geleid en geheiligd". De inhoud van de concept-Vervolgbundel is echter „niet overal genoegzaam naar de behoefte der gemeente in den tegenwoordigen tijd berekend". Zo wordt uitgebreid melding gemaakt van „Jezus' bloed en wonden", maar slechts weinig „van de kracht van Zijnen geest en leven". Voorts zijn de liederen te zeer gericht op het verwerven van de eeuwigheid en staat het leven van de mens te weinig centraa136. Tenslotte meent de commissie te weten wat de denkwijze van de tweede helft der negentiende eeuws is en wat het karakter van vorige eeuwen is. Bij vorige eeuwen horen „strijd en worsteling, ... de magt der helle en ... satans woede". Bij de tweede helft der negentiende eeuw horen „de strijd op dogmatisch en kerkelijk gebied, de onderzoekingen der kritiek, de twijfelingen des nadenkens" en „de bedaardheid des onderzoeks". Het is duidelijk dat bier slechts de behoefte der moderne gemeente geformuleerd is.De synode besluit, op voorstel van de rapporterende commissie, de commissie voor de Vervolgbundel te vragen de concept-Vervolgbundel te herzien. Op voorstel van ter Haar, aanwezig als adviserend lid vanwege de Utrechtse faculteit, besluit de synode de klassiek reformatorische liederen in een aparte rubriek onder te brengen. De rapporterende commissie is het daarmee eens: „een groot aantal liederen (zijn) niet ongeschikt, zoo niet voor kerkelijk dan toch voor huiselijk gebruik”37.

De commissie voor de Vervolgbundel komt de synode halverwege tegemoet. Zij honoreert de „grootste helft"38 van de aanmerkingen en zij schrapt in totaal acht gezangen van de meest aanstootgevende auteurs: zo verdwijnt het lied van da Costa, een van de liederen van Koenen, een lijdens- en een kerstlied van Van Groningen en het lied van de zeventiende-eeuwer Camphuijzen. Voorts voegt ze drie liederen toe.

In de aanbiedingsbrief39 aan de synode van 1863 polemiseert de cornmissie voor de Vervolgbundel met de rapporterende commissie uit de synode van 1862. Tegenover het denkbeeld dat gezangen in overeenstemming horen te zijn met de eigen taal, zeden en denkwijze van een bepaalde tijd, stelt de commissie voor de Vervolgbundel dat „die gezangen de beste zijn, waarin op de beste wijze aan de behoeften van het menschelijk hart en van de gemeente van Christus voldaan wordt, welke door alle tijden dezelfde blijven". De commissie voor de Vervolgbundel ontzegt daarnaast de rapporterende commissie uit de synode van 1862 het recht vast te stellen wat de denkwijze van de tweede helft der negentiende eeuw is. „Dat de rapporterende Commissie ... door den aan de Synode van 1862 aangeboden concept-vervolgbundel teleurgesteld is geweest, ... is misschien gedeeltelijk ook daaraan toe te schrijven, dat niet alle onze tijdgenooten zich van de `eigenaardige eischen' (n.l. 'van den tegenwoordigen tijd' C.W.) dezelfde denkbeelden vormen, terwijl misschien menig hunner nog in het onzekere is hoedanig de rigting der tweede helft van de negentiende eeuw', waarvan wij, ook nu nog, slechts het dertiende jaar beleven, wezen zal". Triomfantelijk voegt de commissie voor de Vervolgbundel daaraan toe dat de door de rapporterende commissie verlangde, laten wij zeggen meer moderne, liederen eenvoudigweg niet voor handen zijn: „Ook de letterkunde eener natie, zoowel door hetgeen zij mist als door hetgeen zij oplevert, is een Spiegel der tijden, en mag, uit dit oogpunt, de aangeboden concept-vervolgbundel ook eenigzins als een bijdrage tot de kennis van onzen tijd worden aangemerkt, dan kan het ook min of meer daaruit blijken, dat de nieuwe denkbeelden, `rigtingen', `levensbeschouwingen', waarin sommigen het `karakter van onzen tijd' en van den toekomenden tijd stellen, vooralsnog in het godsdienstig Nederland niet of niet diep genoeg tot de harten zijn doorgedrongen, om daaruit liederen te voorschijn te brengen, welke op de lippen der gemeente verdienen te worden gelegd".

Ondanks een positief advies van een rapporterende commissie, waarin o.a. de Utrechtse hoogleraar Doedes zitting heeft, keurt de synode de concept-Vervolgbundel af. Men vindt dat de commissie onvoldoende aan de bezwaren van de synode van 1862 tegemoet gekomen is 40. De commissie voor de Vervolgbundel legt daarop haar taak neer41.Op de tweede zitting van de synode van 1864 stelt J. J. van Oosterzee, evenals Beets voormalig lid van de predikanten-broederkring „Ernst en Vrede", evenals ter Haar hoogleraar aan de Utrechtse faculteit, voor een commissie in te stellen die de synode moet adviseren wat de synode moet doen „om te verhoeden, dat de (aan de concept-Vervolgbundel) besteede arbeid voor de Kerk geenerlei vruchten zoude opleveren"42.De commissie wordt ingesteld. Van Oosterzee is een van de leden. De commissie geeft als haar mening dat de vorig jaar verworpen concept-Vervolgbundel als een „grondslag" beschouwd moet worden „waarop verder zou kunnen       voortgebouwd worden"43. Aan de synodale commissie zou moeten worden opgedragen nieuwe liederen te verwerven en uit de concept-Vervolgbundel een keuze te maken. De synode besluit overeenkomstig dit voorstel.

De door de synodale commissie gekozen gecommitteerden, o.a. van Oosterzee en van Hasselt44, nemen 62 van de uit 87 liederen bestaande concept-Vervolgbundel 1863 over. Uit de bundel van de Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeenten in Nederland kiezen zij een tiental liederen45. In de selektie uit de concept-Vervolgbundel is de breedte van de concept-Vervolgbundel behouden gebleven. Misschien is alleen aan de rechterkant wat meer ingeleverd: het lied van mevr. Bilderdijk en opnieuw een lied van Koenen zijn geschrapt. De gekozen gezangen uit de bundel van de Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeenten zijn naar ons oordeel theologisch weinig markant en poetisch van geringe waarde.
Ook deze gecommitteerden mengen zich in de discussie over het karakter van de gezangen: "Wij zijn trouwens van oordeel, dat de te kiezen Gezangen niet zozeer de uitdrukking of afspiegeling behoorden te zijn van den wisselenden strijd onzer dagen, als wel van het geloof der gemeente in het eeuwig Evangelie, dat in de gewijde Schriften zijne oorspronkelijke uitdrukking vindt"46.
Ook deze gecommitteerden verwerpen het historisch relativisme van de rapporterende commissie uit de synode van 1862. Zij stellen daar echter niet de eeuwige en onveranderende „behoeften van het menselijk hart en van de gemeente van Christus" tegenover — wij zouden dit een natuurlijke anthropologic willen noemen — maar „het geloof der gemeente in het eeuwig Evangelie". De gemeente en haar geloof mag wisselen — een historische antropologie — dat waarin zij gelooft is eeuwig, n.l. het eeuwig Evangelie.

De synode van 1865 benoemt uit haar midden een commissie voor de Vervolgbundel. In deze commissie zitten onder meer de Groningse hoogleraar P. Hofstede de Groot en J. B. F. Heerspink, beide vertegenwoordigers van de Groninger richting. De commissie vat haar taak zo op, dat ze niet alleen het voorstel van de synodale commissie beoordeelt, maar dat ze ook zelf een voorstel voor een Vervolgbundel maakt. De door de gecommitteerden uit de synodale commissie geselecteerde gezangen uit de bundel van de Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeenten worden door de commissie op een enkele na geschrapt. Uit de Vervolgbundel van 1863 neemt de commissie 50 liederen over47.

Opnieuw verdwijnt er een stuk aan de rechterkant van het corpus gezangen. Het aantal liederen van Beets vermindert in het voorstel van de commissie met twee. Het lied van de confessionele predikant Hasebroek verdwijnt, evenals het drietal liederen van de Liefde.De grootste verandering is het voorstel vierentwintig liederen van de predikant-dichter R. Bennink Janssonius in de Vervolgbundel op te nemen. Op deze manier probeert de commissie het stempel van de Groninger richting op de bundel te drukken. Bennink Janssonius, geboren en getogen in Groningen, was immers een aanhanger van de Groninger richting. Hij was nauw bevriend met Hofstede de Groot48. Hofstede de Groot heeft in Bennink Janssonius' poëzie gevonden wat hij voor goede kerkliederen hield: vroom, stichtelijk, op het gemoed werkend49.

De commissie stelt de synode voor dat het moderamen van de synodale commissie, samen met B. ter Haar, de door de commissie voorgestelde Vervolgbundel redigeert. Enkele synodeleden zijn het echter niet eens met de voorgestelde Vervolgbundel. Op vele liederen hebben ze kritiek en ze missen liederen „van algemeen religieusen inhoud" waaraan „in de tegenwoordige dagen voor velen behoefte bestaat"50. De commissie antwoordt dat zij nauwelijks bruikbare liederen van „algemeen religieusen inhoud" heeft kunnen vinden, hoewel ze er naar gezocht heeft. Zij stelt voor dat de voorgestelde redaktiecommissie de door de commissie aan de selectie uit do Vervolgbundel van 1863 toegevoegde liederen aan een kritiek zal onderwerpen. De meerderheid van de synode gaat met de voorstellen van de commissie accoord.

De redactiecommissie, bestaande uit de leden van het moderamen van de synodale commissie J. Witkop, H. L. Oort en S. F. van Hasselt aangevuld met B. ter Haar, brengt nog forse veranderingen aan in de door de commissie uit de synode van 1865 voorgestelde Vervolgbundel. Van de door deze laatste commissie geselekteerde gezangen uit de concept Vervolgbundel 1863 schrapt de redactiecommissie er vier. Twaalf gezangen van Bennink Janssonius worden afgekeurd51. Vele gezangen wijzigen zij fors. De redactiecommissie voegt negentien nieuwe liederen toe. Veertien van deze liederen zijn afkomstig uit de concept-Vervolgbundel 1863, zodat het verschil tussen de concept-Vervolgbundel 1863 en de uiteindelijke Vervolgbundel niet bijzonder groot is. Onder deze weer opgenomen liederen bevinden zich echter nauwelijks liederen van confessionele auteurs. Ter Haar drukt zijn persoonlijk stempel op de Vervolgbundel door nog drie liederen van zijn hand toe te voegen. Twee liederen van zijn vriend Warnsinck, die door eerdere commissies verworpen waren, komen alsnog in de Vervolgbundel terecht. Ook wordt een lied van de door ter Haar bewonderde de Genestet opgenomen. Dit lied (gezang 254) is het enige lied dat in de richting van de wensen van de modernen komt. Het gaat vrijwel geheel over de roeping en de arbeid van de mens op deze aarde.

De redactiecommissie draagt ook zorg voor de melodieën. Waar de melodieën ontbreken neemt de redactiecommissie zoveel mogelijk melodieen uit de Evangelische Gezangen over. Aan de hr. Hageman, voormalig directeur van de Muziekschool te Leiden, wordt gevraagd melodieen te componeren. De 27 door hem vervaardigde melodieën zendt de redactiecommissie ter beoordeling aan J. G. Bastiaans, organist van de Grote Kerk in Haarlem. Bastiaans keurt de melodieen van Hageman, alsmede enkele andere voorgestelde melodieën af 52. Hij componeert dertig nieuwe melodieën en voorziet tien gedichten van grotendeels eigen en drie Duitse melodieen. De redactiecommissie is tevreden over het werk van Bastiaans. De redactiecommissie sluit ook het contract met de Evangelische Gezangencompagnie.

De synode van 1866 wil zich niet meer over de inhoud van de voorgestelde bundel buigen. Volgens haar heeft de synode van 1865 reeds tot invoering van de Vervolgbundel besloten, de redactiecommissie heeft dat besluit slechts uitgevoerd.

Het duurt nog tot 1869 voordat de Vervolgbundel van de persen rolt. Drie jaren gaan been met correctie, verwerving van de auteursrechten door de uitgever en een conflict tussen Bastiaans en de synode over de hoogte van zijn honorarium53. In 1869 wordt het contract tussen de NHK en de Evangelische Gezangencompagnie nog zodanig gewijzigd dat er goedkopere uitgaven van de Vervolgbundel beschikbaar komen.

De richtingenstrijd rond de Vervolgbundel is uitgevochten rond de samenstelling van de Vervolgbundel. We constateerden dat in de concept-Vervolgbundel 1862 de kerk in haar volle breedte aanwezig is. Slechts moderne liederen ontbreken. In de definitieve Vervolgbundel herkennen we zonder moeite de concept-Vervolgbundel 1862. Echter met deze twee verschillen dat een aantal liederen aan de rechterkant van het corpus gezangen geschrapt zijn en een aanzienlijk aantal liederen van Bennink Janssonius toegevoegd zijn. De definitieve Vervolgbundel bevat slechts een lied dat in de richting komt van de wensen van de modernen, gezang 254. Dat de rechtervleugel van de kerk nadrukkelijk vertegenwoordigd is in een tijd waarin de rechtervleugel van de kerk binnen het kerkbestuur een duidelijke minderheid vormt is verbazingwekkend.

Naar onze mening geeft de commissie voor de Vervolgbundel in 1863 een goede aanwijzing voor een verklaring, wanneer zij opmerkt dat er Been moderne liederen voor handen zijn. Een opmerking die op de synode van 1865 nog eens herhaald wordt als gewezen wordt op het ontbreken van „liederen van algemeen religieusen inhoud". Wij zouden nog een stap verder willen gaan en stellen: in deze tijd bezit de rechtervleugel van de kerk de hegemonie op het gebied van het kerklied. De belangrijkste in deze tijd verschijnende liedbundels, de bundel Verscheidenheid en Eenheid (1859) en de bundel Christelijke Gezangen (1854) bevatten door het piëtisme of door het Reveil geinspireerde liederen, terwijl deze stromingen ook sterk in de bundel van de Hersteld Evangelisch Luthersche Gemeenten (1857) vertegenwoordigd zijn. Deze hegemonie wordt nog versterkt door het feit dat de Groninger richting, die tot de opkomst van de modernen de linkervleugel van de NHK uitmaakte, een concept voor het kerklied heeft dat zeer dicht tegen het piëtisme aanligt. Hofstede de Groot wil vrome, stichtelijke, op het gemoed werkende liederen. De Romantiek brengt bier Groninger richting en piëtisme bij elkaar. Deze hegemonie van de kerkelijke rechtervleugel op het gebied van het kerklied is naar onze mening de belangrijkste reden waarom de rechtervleugel van de kerk zo sterk in de Vervolgbundel vertegenwoordigd is.

De richtingenstrijd in de kerk is ook terug to vinden in het debat over het karakter van de gezangen. De moderne rapporterende commissie uit de synode van 1862 wil gezangen die met de eigen taal, zeden en denkwijze van de tweede helft der negentiende eeuw overeenstemmen. Daartegenover stellen de commissie voor de Vervolgbundel (1863) en de gecommitteerden uit de synodale commissie (1864-1865) dat de gezangen moeten beantwoorden aan de onveranderende behoeften van het menselijk hart en van de gemeente, respectievelijk aan het geloof van de gemeente in het eeuwig Evangelie.

Tenslotte is onder invloed van de richtingenstrijd ook de plaats van de klassieke gezangen in de Vervolgbundel veranderd. In de concept-Vervolgbundel uit 1862 staan de klassieke gezangen verspreid door de bundel. Het zijn daarmee liederen gelijk aan alle andere liederen, echter hun inhoud, hun auteur, de gelegenheid waarbij ze geschreven zijn en hun catholiciteit doen hen oplichten temidden van de andere liederen54. Vanaf 1863 staan de klassieke liederen bijeen in een aparte rubriek. Ze zijn anders dan de overige liederen. In het voorwoord bij de definitieve Vervolgbundel heet het dat omtrent hun „voortreffelijkheid onder de Protestanten slechts eene stem is", maar men voegt daar aan toe dat ze door „taal en kleur" minder geschikt zijn voor hedendaags kerkgezang. Zo zijn de klassieke liederen meer oude en eerbiedwaardige museumstukken dan gezangen die nu gezongen kunnen worden.

De na de scheiding van kerk en staat (1848) ontstane ecclesiologische crisis in de NHK uit zich vanaf het eind van de vijftiger jaren in een steeds feller wordende richtingenstrijd. Een richtingenstrijd die ook de discussies rond de Vervolgbundel beheerst. Zo onherstelbaar zijn de breuken in 1869 reeds dat de confessionele gemeentes weigeren de Vervolgbundel in te voeren55. De crisis van de NHK betekent ook de crisis van een wijze van kerkbestuur, waarin een schaamteloze vermenging van bestuurlijke posities en financieel eigenbelang getolereerd wordt. De synode maakt een einde aan deze tolerantie. De zeggenschap over een gezangenbundel van de kerk verschuift van een particuliere commissie, de commissie van toezigt , naar het bestuur van de synode. Zo versterkt de synode haar greep op bestuur en eredienst van de NHK.

1. Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen, Amsterdam 1869

2. Evangelische Gezangen, Amsterdam 1806

3. A.W. Bronsveld, Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen, Utrecht 1927

4. Voor dit onderzoek heb ik gebruik gemaakt van het archiefmateriaal met betrekking op de Vervolgbundel van het archief van de NHK 1816-1945 Rijksarchief te Den Haag, zoals de Handelingen van de synodale commissie, notulen van de commissie van toezigt, notulen van de commissie voor de Vervolgbundel, alsmede diverse brieven, rapporten en concept-Vervolgbundels. Zie ook: C.C. Wessel, De produktie van de Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen, skriptie Fakulteit der Godgeleerdheid Universiteit van Amsterdam 1987.

5. In het vervolg noem ik deze commissie: commissie van toezigt

6. Contract Evangelische Gezangen, Archief NHK 1816-1945 doos 976.

7. Archief NHK 1816-1945 doos 979 nr. 10 „Lijst van inkomsten en uitbetalingen".

8. Handelingen 1847, blz. 165

9. Handelingen 1848, blz. 205

10. Handelingen 1847, blz. 172

11. Handelingen 1847, blz. 173. Men denkt daarbij aan de volgende gelegenheden: „de aanneming van lidmaten, de doop van bejaarden, de voorbereiding des Avondmaals, de huwelijks-inzegening, de bevestiging, de intrede, het afscheid en het overlijden van eenen Leeraar, de bevestiging van Kerkeraadsleden, de Kerkhervorming, de oudejaarsdag"

Handelingen 1847, blz. 172

12. Handelingen 1847, blz. 173

13. Handelingen 1853, blz. 107

14. Handelingen 1853, blz. 107.

15. Brief van de predikanten der Hervormde Gemeenten in de ring Heerenveen aan de synode d.d. 9 juni 1857 geregistreerd onder N 8439 en een brief van de predikanten in de ring Workum uit dezelfde maand geregistreerd onder N 8425.

16. Verslag van de commissie van toezigt d.d. 7 juni 1854, geregistreerd onder N 6530

17. Handelingen 1854, blz. 56

18. Brief van de commissie van toezigt aan de Algemeene Synodale Commissie d.d. 11 april 1855 geregistreerd onder N 6912 en brief van de commissie van toezigt aan de Algemeene Synodale Commissie d.d. 4 juni 1856 geregistreerd onder N 7681.

19. Zie notulen commissie van toezigt 1855 Archief NHK 1816-1945 doos 979 en notulen commissie van toezigt 1858, de brief van de commissie van toezigt aan de Algemeene Synodale Commissie d.d. 4 juni 1856 geregistreerd onder N 7681 alsmede de brief van de commissie van toezigt aan de Algemeene Synodale Commissie d.d. 21 april 1860 geregistreerd onder N 351.

20. Brief van de Evangelische Gezangencompagnie aan de Synode d.d 18 juni 1859 geregistreerd onder N 9835.

21. Zie contrakt Vervolgbundel, Archief NHK 1816-1945 doos 976.

22. Brief 31 oktober 1865 van de Evangelische Gezangencompagnie aan Van Hasselt, Archief NHK 1816-1945 doos 982.

23. Brief van de commissie van toezigt aan de Algemeene Synodale Commissie d.d. 21 april 1860 geregistreerd onder N 351

24. Handelingen 1861 Bijlage B blz. 15.

25. Notulen commissie voor de Vervolgbundel 14 en 15 april 1863, Archief NHK 1816-1945 doos 982.

26. Brief van de commissie tot verzameling van eenen tweeden Bundel Evangelische Gezangen aan de synode der NHK d.d. 11 juni 1859 geregistreerd onder N 9819.

27. Handelingen synodale commissie 20 mei 1858.

28. Brief van de commissie tot verzameling van eenen tweeden Bundel Evangelische Gezangen aan de synode der NHK d.d. 11 juni 1859 geregistreerd onder N 9819.

29. Ibidem

30. Handelingen 1859, blz. 73

31. Brief van Bouman en Pijzel aan de synode der NHK d.d. 27 juni 1860 geregistreerd onder N 631

32. Handelingen 1860, blz. 18.

33. Handelingen synodale commissie 14 november 1860

34. Archief NHK 1816-1945 door 982 Concept-Vervolgbundel 1862/63. Voor een lijst van titels, beginregels en auteurs zie C. C. Wessel, Vervolgbundel blz. 119-127.

35. Handelingen 1862, blz. 296-304.

36.  ... de wereldbeschouwing, die in vele liederen voorkomt, (is) niet zelden somber en niet die van den blijmoedigen Christen, die bij de ervaring van 's werelds ongenoegzaamheid en vergankelijkheid, nogtans de aarde waardeert als een heerlijk tooneel van Gods liefde; dit vluchtig en moeitevol leven erkent in zijne hooge waarde; de zegeningen dezes tijds evenzeer als zijne smarten en beproevingen weet de schatten als middelen zijner opvoeding". Rapport van de commissie uit de synode van 1862, Handelingen 1862, blz. 296-304

37. Handelingen 1862, blz. 458.

38. Handelingen 1863, blz. 78.

39. Handelingen 1862, blz. 296-304.

40. Handelingen 1863, blz. 159.

41. Brief van de commissie voor de Vervolgbundel aan de synodale commissie d.d. december 1863 geregistreerd onder N 345.

42. Handelingen 1864, blz. 18.

43. Handelingen 1864, blz. 317

44. Handelingen synodale commissie 14 november 1864

45. Handelingen 1865, Bijlage B, blz. 9. Christelijke Gezangen der Hersteld-Evangelisch Luthersche Gemeenten in Nederland, Amsterdam 1857

46. Handelingen 1865, Bijlage B, blz. 8

47. Handelingen 1865, blz. 133

48. Het Lied en de Kerk, A. C. Honders e.a. (red.), Groningen 1977, blz. 306-307

49. Men vergelijke Hofstede de Groots recensie van de Vervolgbundel in Waarheid in Liefde, jaargang 1869, blz. 505-512 en zijn herdenkingsartikel bij de dood van Bennink Janssonius in Waarheid in Liefde jaargang 1872. In zijn recensie prijst hij de Vervolgbundel als „eenvoudig, diep, rein-evangelisch" (blz. 505), in zijn herdenkingsartikel prijst hij de „liefelijkheid en het diep en rein gevoel" (blz. 788) van Bennink Janssonius'poezie. Reeds in 1860 heeft het Groninger tijdschrift Waarheid in Liefde Bennink Janssonius uitdrukkelijk aanbevolen voor de Vervolgbundel (Waarheid in Liefde jaargang 1860 blz. 783-785).

50. Handelingen 1865, blz. 221

51. Het liefst had de commissie nog meer liederen van Bennink Janssonius geschrapt. Ter Haar schrijft in een brief aan van Hasselt d.d. 16 november 1866: „Gul gezegd is de bundel mij niet medegevallen. Er staan een aantal zeer mediocre stukken in, en deze (het blijve inter nos) schuilen vooral onder de zoo talrijke producten van onzen vriend Janssonius", Archief NHK 1816-1945 doos nr. 982.

52. J.G.A. ten Bokum, J.G. Bastiaans (1812-1875), Amsterdam 1971, blz. 232. Het verslag van de redactiecommissie (Rapport van de Gecommitteerden tot de uitgaaf van den Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen van 2 juli 1866, geregistreerd onder No. 31) vermeldt dat Bastiaans enkele melodieën van Hageman overneemt. Dat lijkt ons onwaarschijnlijk, daar Hageman verder als componist van de Vervolgbundel niet genoemd wordt. Of staan enkele melodieën ten onrechte op naam van Bastiaans?

53. Dit conflict wordt o.a. beschreven in  J.G.A. ten Bokum, J.G. Bastiaans, blz. 232-234.

54. In de aanbiedingsbrief van de commissie voor de Vervolgbundel van 1862 (d.d. 11 juni 1862, afgedrukt in de Handelingen 1863) worden klassieke gezangen omschreven als gezangen „die hetzij door hunnen voortreffelijken inhoud, hetzij om den Naam en het Karakter hunner Makers, hetzij om het gewicht der Gelegenheid, waarbij zij ontstonden, en dikwijls uit alle deze oorzaken vereenigd, klassiek geworden zijn en het Gemeen-goed van alle de gemeente van Christus behooren te wezen".

55. Een deel van de rechtervleugel van de NHK heeft geweigerd de Vervolgbundel te gebruiken, daartoe aangespoord door o.a. een recensie van W. J. Jorissen Mz. in het Kerkelijk Weekblad (tevens ten dienste van de confessionele vereniging en de provinciale Friesche vereeniging, veertiende jaargang no 57, 25 juni 1869)