Het frame van het Wilhelmus
Naar
Homepage


Naar Weblog

Naar Archief


Marnix van St. Aldegonde, ťťn van de leiders van de Nederlandse calvinisten, zit met een probleem[i]. Er is een brede opstandige beweging tegen de Spaanse koning Philips II ontstaan, maar het verzet is onderling verdeeld. Willem van Oranje heeft zich als leider van het verzet opgeworpen, maar de calvinisten wantrouwen hem. Willem is van hoge adel, is opgegroeid aan het hof van Karel V en heeft een topfunctie gehad in het openbaar bestuur. De calvinistische opstandelingen daarentegen zijn gewone burgers en lagere edellieden. Kunnen ze zo’n sjieke meneer wel vertrouwen? Willem van Oranje had bovendien tot voor kort nog niet ondubbelzinnig de zijde van de opstand gekozen. Als bevelhebber van Antwerpen had hij zelfs voorkomen dat calvinistische Antwerpenaren een legertje geuzen te hulp zouden schieten. Honderden geuzen waren afgeslacht. Ook dat bevordert hun vertrouwen niet. En wat gelooft die Willem van Oranje nu helemaal? Is hij wel een goed protestant? Nog in 1566 bezocht hij de mis.

Marnix van St. Aldegonde probeert de calvinisten te overtuigen dat zij Willem als hun aanvoerder moeten aanvaarden. Om dat te bereiken schrijft hij een propagandalied, het Wilhelmus. In dit lied zet hij op een briljante wijze een frame neer, waaruit blijkt dat juist de hoog adellijke Willem de vrome leider is waar de opstand op zit te wachten.

Marnix van St. Aldegonde schrijft dit lied in de jaren dat het karakter van de opstand zich verbreedt. Halverwege de jaren zestig draaide het verzet tegen Philips II vooral om de protestantse geloofsvrijheid.  Maar door het brute optreden van de hertog van Alva krijgt de opstand steeds meer het karakter van een nationaal verzet. Marnix wil de calvinisten meenemen in deze ontwikkeling. Hij benadrukt in het Wilhelmus de nationale rol van Willem van Oranje. In die nationale rol is hij een vroom leider.

In het eerste couplet van het Wilhelmus worden vrijwel alle belangrijke thema’s al genoemd.

Wilhelmus van Nassauwe
ben ik van Duitse bloed,

Meteen in de eerste regels wordt Willem neergezet als een echte Nederlander. Hij is van Duits (daarmee wordt bedoeld Nederlands) bloed. Zo wordt meteen in de eerste regel zijn identiteit ondubbelzinnig aan de Nederlandse natie gekoppeld. Het volgende vers versterkt dat:

den vaderland getrouwe

Willem van Oranje is wel degelijk trouw. Hij is geen onbetrouwbare windvaan die vooral op eigen macht uit is. Hij is trouw aan het vaderland. Niet specifiek aan de calvinistische zaak alleen, maar zijn strijd is een vaderlandse strijd. Willem wordt neergezet als een nationale aanvoerder.[ii]

Een prinse van Oranje ben ik
vrij onverveerd.

Inderdaad, hij is iemand uit de hoogste kringen, een prins. Maar de strategie van Marnix is om  de hoge afkomst van Willem van Oranje om te buigen in zijn voordeel. De hoogadellijke afkomst van Willem wordt juist benadrukt.  Verderop in het Wilhelmus schrijft Marnix: ‘edel en hooggeboren van keizerlijke stam’ (strofe 5), ‘een vorst des rijks verkoren’ (strofe 5)[iii], ‘mijn broeders hoog van namen’ (strofe 4), ‘mijn vorstelijk gemoed’ (strofe 9), ‘als een prins’ (strofe 11), ‘zeer prinslijk was gedreven mijn prinselijk gemoed’ (strofe 13).  

Marnix gebruik de hoge adellijke afkomst van Willem van Oranje om hem neer te zetten als een echte ridder. Willem bezit ridderlijke deugden, juist door zo’n hoge adellijke afkomst. In de eerste strofe is hij ‘zeer onvervaard’ (vrij=zeer). In de vijfde strofe ‘zeer onversaagd’. Hij is ‘een held’ en ‘zonder vrees’ waagt hij zijn edel bloed (strofe 5). Hij heeft ‘moedige’ ruiters (strofe 11). Hij wil ‘met eer sterven’ op het slagveld als een ‘getrouwe held’ (strofe 9). Moed, trouw, eer, held, het zijn allemaal woorden die verwijzen naar een ridderlijk ethos. Willem is hier een toernooiridder die voor zijn volk vecht. Het is opmerkelijk dat Marnix een beroep doet op een ridderlijk ethos dat nogal ver van de bijbel af staat, maar blijkbaar was het ridderlijke ethos in deze nog half middeleeuwse wereld levend en overtuigend. Op zijn minst als herinnering. Marnix maakt van een potentieel nadeel ‘de man die ver van burgers en lage adel af staat’, een voordeel: een man die, hoog verheven als hij is, ridderlijke, moedige, belangeloze doelen nastreeft.

David

Tegelijkertijd is Willem als de Bijbelse vorst David. David is in delen van de Bijbel het prototype van de goede koning. ‘Als David moesten vluchten voor Saul den tiran’ (strofe 8). Zoals David moest vluchten voor de machtige koning Saul, zo heeft Willem moeten vluchten voor Philips II, de koning van Spanje.  Koning David begon ooit als een herdersjongen en beschermde zijn kudde met inzet van zijn eigen leven tegen wilde dieren. In delen van de Bijbel wordt Davids koningschap ook zo herinnert: ook als koning was hij een herder, die voor zijn volk zorgde en het beschermde. Op eenzelfde wijze zal Willem een herder zijn voor zijn volk: ‘Oorlof mijn arme schapen, uw herder zal niet slapen’ (strofe 14). Ook elders in het Wilhelmus wordt de zorg van Willem van Oranje voor zijn volk benadrukt, zonder direct naar David te verwijzen (strofe 3, 10).  Willem is hoe dan ook een zorgzame vorst die het heil van zijn volk op het oog heeft.

De vergelijking met David roept ook de afloop van de strijd tussen David en Saul in herinnering: David wint. In strofe 8 wordt dat gememoreerd ‘God heeft hem (David) verheven, verlost uit alle nood, een koninkrijk gegeven in IsraŽl zeer groot’. De vergelijking van Willem met de Bijbelse goede herder roept ook EzechiŽl 34 in gedachten waarin God aankondigt de slechte herder te vervangen door een goede herder. Op eenzelfde manier hoopt Willem te winnen, al is het onduidelijk of die overwinning wel een aardse overwinning zal zijn. Misschien mag hij terugkeren in ‘zijn regiment’ (positie, gewone leven) (strofe 2). Waarschijnlijker bestaat die overwinning uit het martelaarschap. ‘Na ’t zuur zal ik ontvangen van God mijn Heer het zoet; dat is dat ik mag sterven in het veld’ (strofe 9). Willem wordt zo meer dan David, hij wordt een Christusfiguur. Als een goede herder geeft hij zijn leven voor zijn schapen (Johannes 10) tegen de aanvallen van wolven. Zijn broer Adolf heeft zijn leven al gegeven (strofe 4) en ook Willem wordt met de dood bedreigd (strofe 7). Net als de onschuldige Christus dreigt Willem op eenzelfde manier te moeten lijden (‘handen wassen’, ‘onschuldig bloed’).

Martelaarschap

De eerste strofe had dit allemaal al aangekondigd:

den vaderland getrouwe
blijf ik tot in de dood.

Maar het sterven is niet aan het kruis, Marnix voorspelt dat Willem zal sterven op het slagveld (strofe 9). Het beeld van David, van Christus en van de ridder komen bij elkaar. Willem wordt een messiaans figuur die  – net als Christus – zijn leven in zet voor ons, maar op ridderlijke wijze: strijdend tegen de tegenstander. En een goede strijder is van adel en het liefst van hoge adel. De voorstelling van een messiaans figuur als strijder doet denken aan de Saksische evangeliŽnharmonie de Heliand, waarin Christus voorgesteld wordt als een aanvoerder van zijn edelen (leerlingen). Of aan het middeleeuwse lied ‘Victimae paschali’, waarin het Paasgebeuren vooral als een strijd wordt voorgesteld (mors et vita duello conflixere mirando) en Christus als een aanvoerder (dux vitae).

Willem strijdt en lijdt. En in dit lijden is hij ťťn met zijn volk. Hij is net als alle calvinistische ballingen die vanwege hun geloof hebben moeten vluchten ook verdreven (strofe 2). Zijn hart bloedt als hij het lijden van zijn volk ziet (strofe 10). Hij is gaan strijden en heeft een veldtocht ondernomen om het lijden te stoppen (strofe 11) [iv]. Aan hem lag het niet dat de veldtocht mislukte, het lag aan God (strofe 12). Toch is hij standvastig gebleven en nu kan hij in deze diepte niets anders doen dan bidden (strofe 13) en zijn mensen oproepen zich tot God te keren en vroom te leven, wachtend en uitziend naar het einde (strofe 14).

Door de vergelijking van Willem met David excuseert Marnix Willem ook. Het heeft – naar het besef van de calvinisten – eindeloos geduurd voordat Willem zich volledig aansloot bij de opstand. Maar ook David ging er niet vol tegenin bij Saul. David hield altijd achting voor Saul – Saul was tenslotte ook Gods gezalfde - en doodde hem niet toen hij daar de kans toe kreeg. Hij heeft Saul altijd geerd. Tegelijkertijd noemt Marnix Saul een tyran. Zo wordt hij in de bijbel nooit genoemd. Het is een term die afkomstig is uit de Griekse wereld. Maar door Saul (=Philips II) een tyran te noemen wordt de opstand gelegitimeerd. Tegen de overheid mag je niet in opstand komen omdat de overheid door God gegeven is (Romeinen 13), maar tegen een tyran mag dat volgens antieke filosofen als Plato, Aristoteles en Cicero wel.  Je mag hem zelfs vermoorden. Ook de invloedrijke christelijke theoloog Thomas van Aquino rechtvaardigde de tyrannenmoord.

En zo zijn we gekomen aan het laatste motief dat ik hier wil bespreken. De verhouding tot de koning van Hispanje.

de koning van Hispanje
heb ik altijd geŽerd.

Jazeker, koningen moet je eren. Dat verklaart ook zijn aanvankelijk aarzelen.

Tegelijkertijd zet hij met dit einde van de eerste strofe alles klaar voor de daverende finale van het Wilhelmus.

Voor God wil ik belijden en zijne grote macht,
dat ik te gene tijden de koning heb veracht
dan dat ik God de Here,
de hoogste majesteit
heb moeten obediŽren (gehoorzamen)
in der gerechtigheid.

Ja, de koning van Hispanje heeft hij geŽerd (1 Petrus 2:17)[v]. Hij heeft hem nooit veracht. Maar er is een gehoorzaamheid die verder gaat. Vanwege die gehoorzaamheid is hij verdreven. ‘In Godes vrees te leven, heb ik altijd betracht, daarom ben ik verdreven’ (Strofe 2). Omdat hij een vroom christenman is, heeft hij zijn bloed gewaagd (strofe 5). Omdat hij Gods dienaar is wil hij nu de tirannie verdrijven, die zijn hart doorwondt (strofe 6). De tirannie van de koning van Hispanje. Want er is een dienaarschap dat hoger is dan het dienaarschap van de koning. Er is een hogere majesteit dan de koning van Hispanje. Er is een hogere gehoorzaamheid. En die is alleen aan God, aan de gerechtigheid van God. 'En daarom ben ik Willem van Oranje in opstand gekomen, heb het zwaard opgenomen en zet ik mij in voor mijn volk.'

Willem van Oranje een sjieke meneer die uit is op eigen gewin? Met een dubieus geloof. Nee, een herder die zich inzet voor zijn volk, ťťn is in hun lijden, vreest zelf gedood te zullen worden (terecht!), door en door vroom is en juist als edelman zijn volk op ridderlijke wijze zal bijstaan in de opstand tegen de gezamenlijke vijand.

Coen Wessel



[i] Algemeen wordt aangenomen dat het Wilhelmus tussen 1568 en 1572 is geschreven. De historica Gudrun Dekker-Schwichow stelde in 2008 dat het Wilhelmus geschreven is door Marnix van St. Aldegonde in december 1572 tijdens het beleg van Haarlem. In 2016 publiceerden Mike Kestemont, Martine de Bruin en Els Stronks een onderzoek waarin ze na een computeranalyse stelden dat het Wilhelmus geschreven is door Petrus Datheen. In dit essay ga ik uit van de traditionele opvatting dat het Wilhelmus geschreven is door Marnix van St. Aldegonde. Mocht Petrus Datheen de auteur zijn, dan verandert dat niet veel aan de strekking van mijn essay. Een precieze datum voor het ontstaan van het Wilhelmus geef ik niet – en daar heb ik ook geen onderzoek naar gedaan. Op grond van mijn tekstuele analyse denk ik eerder aan een vroegere datum, toen het leiderschap van Willem van Oranje omstredener was (1568-1570).

[ii] ‘Vaderland’ is een opmerkelijk woord voor die tijd. Er bestond wel een zeker gevoel van verbondenheid tussen de Bourgondische landen die de hertogen van BourgondiŽ in de Noordwesthoek van Europa aaneengeregen hadden, maar zo heel duidelijk was de nationale identiteit nu ook weer niet. Door de Nederlanden een vaderland te noemen wordt zo ook een vaderland geschapen

[iii] Bedoeld is: horend bij het college van de Rijksvorsten dat de keizer mag kiezen. Zie: W.F. Breman, De boodschap van het Wilhelmus, p. 28

[iv] Let op de komische voorstelling van zaken in deze strofe. De moedige ruiters in het open veld van Willem tegenover het laffe, bange, ingegraven leger van Alva. In werkelijkheid troefde Alva hem af: Alva was zo slim af te wachten met slag leveren tot het geld van Willem op was om zijn leger te betalen.

[v] De eerste strofe eindigt met ‘de koning heb ik altijd geŽerd. De tweede strofe begint met: ‘In Godes vrees te leven’. Samen vormen ze verwijzing naar 1 Petrus 2:17 ‘vrees God, eer de koning’. Dat is eventueel uit te leggen als: eer de koning, maar bewaar je vrees voor God. Zo zou de slotstrofe al aangekondigd worden. Ik vind het een beetje een overinterpretatie, maar toch wel aardig. De toespeling op 1 Petrus laat in ieder geval zien dat Willem in zijn rol van nationaal leider religieus gemotiveerd is.