De woestijnvaders op de middelbare school
Terug naar Homepage

Terug naar Archief

Naar Hoofdstuk
pagina Godsdienst
onderwijs

Naar Weblog
In de vierde eeuw ontstaat er onder christenen in Egypte, Palestina en Syrië een spirituele beweging van mannen en vrouwen die zich terugtrekken in de woestijn. Zij gaan in eenzaamheid leven, bijvoorbeeld in een kleine hut en brengen een belangrijk deel van de dag door met gebed. Daar denken ze na,  loven ze God en worden ze, zo menen zij, beproefd door demonen. Ze doen dat in navolging van wie? Jezus gaat naar eenzame plaatsen om te bidden en vooral: hij wordt in de woestijn door de duivel op de proef gesteld werd.

Niet alleen trekken ze zich terug in de eenzaamheid. Ze doen ook afstand van al hun bezit, ze onthouden zich van sexuele omgang, ook daarmee trekken ze zich terug uit de sociale verbanden waarin ze leven. Ze leggen zichzelf verder een streng of minder streng regime op. Ze vasten, ze eten dus heel weinig, bijvoorbeeld alleen wat brood en wat groente en sommigen proberen zo weinig mogelijk te slapen. Ze proberen ook hun gedachten te zuiveren, dat wil zeggen ze proberen zo te leven dat er geen gedachte aan jalouzie, woede of sexualiteit bij hen opkomt.                                                             

woestijn

Ze vergelijken zichzelf vaak met atleten en ik denk dat dat een goede vergelijking is. Het zijn mensen die in hun leven maar één doel hebben, namelijk om in afzondering zo veel mogelijk tot een goede en zuivere vorm van menszijn te komen. Dat was hard werken, ze probeerden met hun lichaam en hun geest tot het uiterste te gaan. In de literatuur die we gaan bestuderen komt het woord zwoegen vaak voor. Niet eten, je concentreren op God, niet aan slechte dingen denken, dat vergt een grote mentale concentratie en inspanning.

Ik zal zometeen nog wat meer over hen vertellen, maar eerst lezen we een verhaal
Dit is een verhaal uit de Apophtegmata Patrum (spreuken van de vaderen), een geschrift met zo’n 1500 verhaaltjes en gezegden over monniken die in de 4e eeuw in de woestijn van Egypte leven. Deze verzameling is als verzameling in het Grieks overgeleverd. Of ze ook oorspronkelijk in het Grieks zijn geschreven is onduidelijk. Deze en andere verhaaltjes zijn ook overgeleverd in het Koptisch, Syrisch, Ethiopisch en Georgies. Een vertaling van de Griekse tekst in het Latijn was in de middeleeuwen heel populair in (de kloosters van) Europa. De vertaling die voor jullie ligt is een vrij letterlijke vertaling.
Ik laat het verhaal door een leerling lezen.

II, XVI

Iemand vertelde dit verhaal. Er waren drie ernstige mannen die van elkaar hielden en ze werden monniken. En één van hen nam het op zich recht te spreken, volgend het Schriftwoord: zalig zijn de vredestichters. De tweede verkoos om de zieken te bezoeken. Maar de derde ging weg om stil te zijn in de eenzaamheid (van een kluizenaarsbestaan).
De eerste zwoegde temidden van de twisten van de mensen, maar was niet in staat hen allemaal te verzoenen. En vol vermoeidheid, kwam hij naar degene die de zieken verzorgde en vond hem ook zonder geestkracht en niet in staat zijn taak te uit te voeren. De twee waren het eens en gingen naar degene die zich had teruggetrokken in de woestijn en zij vertelden hem hun tegenspoeden. En zij vroegen hem hun te vertellen. En hij was voor een moment stil en goot toen water in een vat en zei: ‘kijk, naar het water’. En het was troebel. En na een tijdje zei hij: ‘kijk nu, hoe helder het water geworden is; En toen zij in het water keken zagen zij hun eigen gezichten, als in een spiegel. En toen zei hij tegen hen: ‘Zo is hij die verblijft temidden van de mensen, vanwege de beroering, ziet hij zijn zonden niet. Maar wanneer hij stil is geworden, bovenal in de eenzaamheid, herkent hij zijn eigen verzuim.’

 
Kan iemand vertellen wat hij mooi vindt aan dit verhaal of wat hem raakt aan dit verhaal. Of misschien ook wat hij niet snapt? Verwachting: geen reactie.

Ik loop het verhaal na:

Drie ernstige mannen, geen lichtzinnige kerels. Ze houden van elkaar, ze zijn vrienden, ze zijn verbonden met elkaar. Ze worden monniken en eentje gaat rechtspreken. En rechtspreken is in die tijd: geschillen beslechten. Twee mensen komen naar je toe, de ezel van de één is uitgebroken en heeft de groentetuin van de ander leeggegeten, ze worden het niet eens over de schadevergoeding en nu gaan ze naar de rechter om hun geschil aan de rechter voor te leggen. Het is ook een typisch christelijke deugd: zoeken naar verzoening en vrede. Zalig de vredestichters, zegt Jezus.
Een tweede bezoekt zieken. Dokters had je niet, maar je kon zieken bezoeken. En dan drink je niet een kopje thee aan de rand van het ziekbed en je vraagt: hoe gaat het met u? Nee, je zorgt dat de arme vrouw of de arme man, wat te drinken krijgt, wat te eten krijgt - en als er niks in huis is koop je dat met je eigen geld - je verzorgt zijn wonden, kortom: je helpt hem zijn periode van zwakheid en ziekte levend door te komen. Ook dat is een typisch christelijke deugd. In de oudheid stonden de christenen er om bekend dat ze dat deden, anderen deden dat niet, waarom zou je ook, je hebt wel wat beters te doen, je bent gekke Henkie niet. Maar christenen doen dat wel, in navolging van het genezingswerk van Christus. (Handelingen?).
Maar het lukt niet om vrede te brengen in de wereld. Idealistische jongeman ziet zijn idealen stuklopen op de hardheid van de wereld en de mensen en raakt teleurgesteld in de wereld. De ander, die zieken bezoekt, gaat er bijna zelf aan onderdoor. Hij krijgt een burn-out. De wereld is te zwaar.
Ze zoeken de derde op en vertellen hun verhaal. Nu moet de derde ook zijn verhaal vertellen. Maar hij vertelt geen verhaal (hij heeft ook geen verhaal). Hij is stil. En met dat hij stil wordt, worden de andere twee - en wij als lezers - de stilte van de woestijn binnengetrokken. En dan gaat hij wat doen: hij giet water in een vat. Dat is een gebaar van beweging, van stromen. En zo’n vat daar zit van allerlei rotzooi in, hout van de binnenkant dat half vergaan vergaan is, modder die meegekomen is toen je het water uit de put haalde. “Kijk naar het water’,  moment van concentratie is dat, kijk niet meer naar de wereld, kijk alleen naar het water. En concentreer je op wat daar gebeurt. En ze zien dat het water eerst troebel is. En die troebelheid, wordt later uitgelegd, is een beeld van de beroering van de wereld. Allerlei impulsen komen er op je af. Maar in de woestijn vallen die impulsen weg en je wordt rustig, de troebelheid verdwijnt. Dan is het helder. En wat gebeurt er als de troebelheid verdwijnt. De mannen worden uitgenodigd op opnieuw naar het water te kijken. En wat zien ze - en wat zijn wij als lezers - de mannen zien zichzelf, weerspiegeld in het water. Dat is wat er gebeurt in de woestijn: je krijgt zicht op jezelf. En wat betekent het dat je zicht krijgt op jezelf: je krijgt zicht op je eigen zonden. Als wij naar onszelf zouden kijken zouden we misschien niet alleen onze zonden niet, maar ook verdriet of juist dingen die mooi zijn, maar deze mannen leven in een christelijk ascetische wereld: zij zien hun zonden. En dat is heilzaam.
Prachtig verhaal, heel eenvoudig en toch geweldig literair gecomponeerd. Want we zullen zometeen verhalen lezen die misschien wel echt gebeurd zijn, maar dit verhaal is overduidelijk een literair verhaal. Het verhaal wil duidelijk maken dat het leven in de woestijn, een comtemplatief leven, te verkiezen is boven het toch ook heel deugdzame leven in de wereld waar je goede daden aan het doen bent. De twee vrienden waren bezig om anderen te genezen en te verzoenen, maar in de woestijn moet je vrede maken met jezelf en moet je jezelf genezen.


We gaan zometeen meer verhalen lezen, maar eerst moet ik nog iets meer vertellen over het monnikenwezen.

De monniken willen zich terugtrekken en aanvankelijk doen ze dat aan de rand van dorpen. Maar al snel doen ze de volgende stap en gaan ze de woestijn in en bouwen hun hut, zij zeggen hun cel of hun kluis in de woestijn. De eersten onder hen deden dat in volledige afzondering, maar al gauw ontstaan er een soort kolonies van kluizenaars. Monniken die in hutjes leven, allemaal een paar honderd meter van elkaar vandaan.

De teksten die we zullen gaan lezen spelen zich af in één zo’n kluizenaarskolonie in Egypte, n.l. in Scetis. Ik zal het leven in de kluizenaarskolonie kort beschrijven, daarna gaan we zo snel mogelijk lezen.

De eerste monniken trokken zich terug aan de rand van dorpen. Maar al snel doen ze de volgende stap en gaan ze de woestijn in en bouwen hun hut, zij zeggen hun cel of hun kluis in de woestijn. De eersten onder hen deden dat in volledige afzondering, maar al gauw ontstaan er een soort kolonies van kluizenaars. Monniken die in hutjes leven, allemaal een paar honderd meter van elkaar vandaan.

De teksten die we zullen gaan lezen spelen zich af in één zo’n kluizenaarskolonie in Egypte, n.l. in Scetis (ook wel Scete). 

   Het volgende is vooral bedoeld als achtergrondinformatie voor de docent, hij/zij kan het gedoseerd vertellen.      

Scetis

Scetis ligt zo’n tachtig kilometer ten zuiden van Alexandrië. Je kent Alexandrië, aan de monding van de Nijl, een miljoenenstad en een centrum van handel en ook van wetenschap. Maar de Nijl maakt maar een klein stukje van Egypte vruchtbaar en als je zo’n veertig kilometer naar het zuiden bent, houdt de bewoonde wereld op en is er vooral woestijn en wildernis. Het kost je twee dagreizen om die laatste veertig kilometer af te leggen, of beter een dag en een nacht, want ‘s nachts kan je je beter oriënteren op de sterren. Scetis is een vallei in deze woestijn met kleine oases en moerassen, zodat er in ieder geval op loopafstand water is. De monniken leefden daar in kleine hutten, maar soms ook in grotten of in woningen tegen rotsen aan gebouwd. Zo’n cel had twee kamers: ééntje om in te werken, te eten en gasten te ontvangen en één kamer om te bidden. Er waren ramen, deuren met een slot er op, kastjes en uitsparingen voor boeken. De monniken zaten overdag op een mat, waar ze ‘s nachts op sliepen. Ze hadden ook kleine bankjes, waar ze op zaten om te bidden.

Wie als monnik begon sloot zich aan bij een oudere monnik, die ‘abba’ genoemd werd. Vader betekent dat letterlijk, maar we vertalen het meestal als abt. Deze vader onderwees de monnik in praktische zaken: hoe bouw ik een cel, hoe vlecht ik manden, hoe bid ik de psalmen. Maar de abba fungeerde vooral ook als geestelijke vader.  Een monnik legde zijn ‘gedachten’ voor aan de vader of hij vroeg de abba speciaal om een woord, een uitspraak, die speciaal op hem sloeg.

Dagindeling

Een dag begon ver voordat het licht aan brak, misschien wel om drie uur ‘s nachts. De monnik stond dan op en ging in zijn cel een morgengebed bidden, die 12 psalmen omvatte. De monnik ging dan niet meer slapen, maar bleef ‘mediteren’ totdat het licht werd. Overdag werkten ze in hun hut. Meestal vlochten ze manden of touwen. De producten van hun handen werden verkocht op de markt in de stad. Dit werk had als voordeel dat het gedaan kon worden zonder er bij na te denken. Ondertussen kon je met je gedachten ergens anders naar toe gaan, je kon ook psalmodiëren (een vorm van psalmen zingen) of bidden of wat dan ook. Het riet en de palmtakken werden geoogst in de moerassen vlakbij. Soms verhuurden ze zich ook als werkers in de oogsttijd en ze kregen ook wel geschenken. Om drie uur ‘s middags aten ze hun enige maaltijd. Als de zon onderging vierden ze de vesper in hun cel en daarna gingen ze slapen.

Verzoeking van Antonius, linker paneelEen monnik at per dag ongeveer 450 gram  brood. Het gaat hier niet om dagvers brood, maar om brood dat soms maanden kon worden bewaard. Het werd dan keihard en je moest het in water dopen om het eetbaar te maken. Ze strooiden zout over het brood, om niet uit te drogen in de woestijn. Soms gebruikten ze een klein beetje olijfolie. In Scetis dronken de monniken gedurende de week alleen water, en daar ook niet veel van. Er is ook sprake van groenten en zelfs vruchten. Het was een hard bestaan, aan de andere kant: een Egyptische boer at niet veel meer. Alleen als er een bezoeker kwam at men meer: gastvrijheid ging voor alles.

Alleen op zaterdagavond en zondagmorgen kwamen ze hun cel uit. Ze gingen dan naar een soort kerk die ze hadden. Op zaterdag vierden ze met zijn allen wat ze door de week in hun cel deden: de vesper en de avonddienst. Op zondag vierden ze ook een soort gemeenschappelijke maaltijd met brood, wijn en gekookt voedsel. Na de maaltijd namen ze voorraden mee voor de komende week en gingen weer naar hun cel.

Antonius

Eén van de eersten die dit doen is Antonius, een zoon van welgestelde ouders, die in 270 n C.  de woestijn van Egypte in trekt en daar een ascetisch leven voert. Twintig jaar houdt hij zich voor de buitenwereld verborgen, volgens de levensbeschrijving die de kerkvader Athanasius van hem maakte. Eén periode van zijn leven is erg bekend geworden, n.l. een nacht waarin hij door allerlei demonen bezocht wordt, het is een tafereel dat door veel kunstenaars is uitgebeeld. Misschien ken je de schilderijen van Jeroen Bosch daarover. Daarna wordt hij een vraagbaak voor velen.

Als hij zo’n 35 jaar in de woestijn heeft doorgebracht verzamelt hij leerlingen rondom zich die hem als geestelijk leider erkennen. Rondom hem worden kolonies van asceten gesticht, die hem als geestelijk leider erkennen. Ook deze monniken werden om raad gevraagd door gewone gelovigen.

Over deze woestijnvaders zijn er allerlei verhalen bekend. Waarvan ik er nu een aantal laat volgen.  


We gaan nu een paar verhalen lezen. Ik denk dat jullie die het beste twee aan twee kunnen lezen. Ik heb bij elk verhaal een aantal vragen gesteld of opmerkingen bij gemaakt. Die vragen zijn een beetje op brugklasniveau, maar het gaat er niet om dat je de antwoorden daarvan opschrijft, maar het doel is dat je door middel van de vragen beter in de tekst komt en het verhaal beter snapt.
Helemaal snappen zal je de verhalen niet. Doe daar ook geen moeite voor, ga gewoon verder met het volgende verhaal. Het gaat er vooral om dat je de sfeer van de verhalen proeft.

Een monnik at per dag ongeveer 450 gram (pound) brood. Het gaat hier niet om dagvers brood, maar om brood dat soms maanden kon worden bewaard. Het werd dan keihard en je moest het in water dopen om het eetbaar te maken. Ze strooiden zout over het brood, om niet uit te drogen in de woestijn. Soms gebruikten ze een klein beetje olijfolie. In Scetis dronken de monniken gedurende de week alleen water, en daar ook niet veel van. Er is ook sprake van groenten en zelfs vruchten. Het was een hard bestaan, aan de andere kant: een Egyptische boer at niet veel meer. Alleen als er een bezoeker kwam at men meer: gastvrijheid ging voor alles.

Taal: De taal van de Egyptenaren was koptisch en de monniken zullen dat ook met elkaar gesproken hebben. Daarnaast werd er Latijn gesproken door de elite en het was de taal van rechtsdocumenten en wetten. De gegoeden overal in Egypte spraken Grieks Het was ook de taal van de handel.


Extase

XVIII,XXI extase

Eens ging Zacharius naar zijn abt Silvanus en vond hem in extase en zijn handen waren gestrekt naar de hemel. En toen hij hem aldus zag, sloot hij de deur en ging hij weg. En toen hij terugkwam op het zesde uur, en het negende uur vond hij hem net zo. Maar tegen het tiende uur klopte hij en toen hij binnen kwam, vond hij hem rustig liggen en zei tegen hem: ‘Wat scheelt u vandaag, Vader?’. En hij zei: ik was ziek vandaag, mijn zoon. Maar de jonge man greep zijn voeten vast, zeggend: ‘Ik zal u niet laten gaan, totdat u mij vertelt wat u hebt gezien. De oude man antwoordde hem: ik was opgenomen in de hemel en ik zag de heerlijkheid van God. En ik stond daar tot nu toe, en nu ben ik weggestuurd.

- waarom gaat Zacharius in eerste instantie weg?
- is de vraag van Zacharius: ‘wat scheelt u vandaag’ een direkte vraag? Merk op dat het antwoord van Silvanus niet de waarheid bevat, maar toch laat zien dat er iets aan de hand is.
- wat verandert er in je lichaamshouding als je iemands voeten vastgrijpt, hoe lig je dan?
- ‘ik zal u niet laten gaan’. Komt in de bijbel voor o.a. in het verhaal over de worsteling van Jacob met de engel.
- wat zegt het over Zacharius dat hij de voeten van de abt Silvanus beet pakt?
- de heerlijkheid van God = de grootsheid, majesteit, kracht van God. Grieks: doxa, Hebreeuws: kavod, letterlijk zwaarte. Soms voorgesteld als een stralende gestalte van licht en vuur.
- kan je je voorstellen dat Silvanus rustig ligt en eerst in extase staat?

XI,XIV de manden van Johannes

Men vertelde over Johannes dat hij eens palmtakken vlocht om twee manden te maken en hij gebruikte hen allemaal in één mand, maar had het niet in de gaten totdat het de muur bereikte. Want zijn geest werd in beslag genomen door de overdenking van God.

- geen vragen

IJdelheid

Eens hoorde een provincie-rechter over de abt Mozes en ging naar Scete om hem te ze zien. Maar de oude man hoorde over zijn komst en en stond op om in het moeras te vluchten. En de rechter met zijn gevolg kwam hem tegen en vroeg hem: ‘Vertel me, oude man, waar is de cel van de abt Mozes?’ En hij zei: ‘Waarom wilt u hem opzoeken? De man is een dwaas en een ketter’ Dus toen de rechter bij de kerk kwam, zei hij tegen de geestelijken: ‘Ik had gehoord over de abt Mozes en kwam om hem te ontmoeten, maar zie, we kwamen een oude man tegen op reis naar Egypte en vroegen hem waar de cel van de abt Mozes kon zijn, en hij zei: Waarom zoekt u hem op, hij is een dwaas en een ketter. De geestelijken waren verbijsterd toen ze dit hoorden en zeiden: Hoe zag die oude man er uit, die zo tot jullie gesproken heeft over de heilige man?’.  En zij zeiden: ‘Hij was een oude man en hij droeg een erg oud kleed, hij was lang en zwart. En zij zeiden: ‘Het is de abt zelf: en omdat hij wenste niet door jullie gezien te worden, vertelde hij deze zaken over zichzelf. En zeer gesticht (opgebouwd) ging de rechter weg.

Informatie: - abt Mozes is een bekende gestalte in deze literatuur. Hij is afkomstig uit Ethiopië en heeft dus een donkere huid. Vroeger was hij een rover, maar dat is voor dit verhaal niet van belang.

- verklaar het gedrag van abt Mozes
- waarom gaat de rechter (en de lezer) zeer gesticht weg?

XII draak

De abt Nisteron de oudere liep in de woestijn met een zekere broeder
en toen ze een draak zagen, vluchtten ze.
En de broeder zei tegen hem: ‘Bent u ook bang, Vader?’
De oude man antwoordde: ‘Ik ben niet bang, mijn zoon:
maar het was raadzaam om te vluchten bij het zien van een draak,
zodat ik niet hoefde te vluchten voor de geest van ijdelheid.



Abbas Nisterous magnus incedebat pereremum cum quodam fratre;
et viso dracone, fugerunt.
Dicit ei frater; Tu quoque times, Pater?
Excepit senex: Non timeo, fili;
sed profuit mihi, quod fugerim;
alias non effugissem spiritum vanae gloriae. (Alpha 26)




- waarom vlucht de broeder (en ieder ander mens) voor de draak?
- in welk geval zou de abt Nisteron moeten vluchten voor de geest van ijdelheid?
- waarom vlucht de abt Nisteron?
- wat zegt dit over de geestelijke houding van de abt Nisteron?

XVIII   vluchten voor bezoek rechter

Een keer kwam een andere rechter om hem (Simon) te bezoeken en de geestelijken die voor hem uit gingen zeiden: ‘Vader, maak uzelf gereed, want de rechter heeft over u gehoord en komt om uw zegen’. En hij zei: ‘Ik zal mij inderdaad gereed maken’. En hij bedekte zich met zijn zaklinnen en nam in zijn hand brood en kaas, ging zitten in de deuropening van zijn cel en begon te eten. Kort daarna kwam de rechter met zijn gevolg en toen hij hem zo zag bespotte hij hem en zei: ‘Is dit de kluizenaar-monnik van wie wij zulke grote dingen gehoord hebben?’ En zij maakten meteen rechtsomkeerd en vertrokken naar hun eigen woonplaats.

- wat is de beginsituatie
- wat had de rechter verwacht aan te zullen treffen toen hij Simon wilde ontmoeten.
- ‘Ik zal mij inderdaad gereed maken’ zegt Simon. Wat verwachten de geestelijken misschien, wat doet Simon
- waarom is de rechter teleurgesteld
- merk op dat dit verhaal als een soort grap geschreven is. Wie wordt er bespot?
- waarom doet Simon dit?

XIX    Geprezen

De heilige Syncletica zei “Een schat die bekend is, is snel uitgegeven: en evenzo is elke deugd die geprezen is en waar een openlijke show van gemaakt is, vernietigd. Net zoals was smelt bij het vuur, zo wordt de ziel verzwakt door lof en verliest zij de stevigheid van haar deugden.

- dit is een verhaal over één van de vrouwen onder de woestijnmonniken

Strijd in de cel

II, II

De abt Antonius zei: ‘Wie in de eenzaamheid (van een kluis) zit en stil is, is ontkomen aan drie oorlogen: horen, spreken en zien. Toch zal hij tegen één ding voortdurend vechten: dat is zijn eigen hart.

VII,III   woede

De abt Ammon zei dat hij veertien jaar in Scetis had doorgebracht, en de Heer dag en nacht had gesmeekt, dat Hij hem de macht zou geven woede te bemeesteren.

XXXVIII oven van babylon

Een oude man zei: De cel van een monnik is de vurige oven van Babylon, waar de drie jonge mannen de zoon van God vonden. Het is ook de wolkkolom waarvandaan God sprak met Mozes.

- welke twee kanten heeft de vurige oven van Babylon?
- welke twee kanten heeft de wolkkolom?
- welke twee kanten heeft de cel voor de monnik?

XXXII niet weggaan

De vaders waren gewoon te zeggen: als verzoeking over je komt op de plaats waar je woont, verlaat dan niet je plaats in de tijd van verzoeking. Want als je dat doet, waar je ook gaat, je zult vinden waarvoor je vlucht.

XXXIII woede blijft

Een zekere broeder was rusteloos als hij in monnikengemeenschap was, en vaak was hij woedend. Hij zei tegen zichzelf: ‘Ik ga weg en ik ga ergens in eenzaamheid wonen. Wanneer ik niemand heb om tegen te spreken of om aan te horen, zal ik vrede hebben en deze drang tot woede zal gestild zijn.” Dus ging hij weg en ging in zijn eentje in een grot wonen. Op een dag vulde hij een kruik met water en zette die op de grond. Maar het gebeurde dat de kruik plotseling omviel. Hij vulde hem voor de tweede keer, en opnieuw viel hij om. Hij vulde hem een derde keer, zette hem neer en opnieuw viel hij om. En in woede greep hij de kruik beet en brak hem. Toen hij tot zichzelf gekomen was, bedacht hij hoe hij was bedrogen door de geest van woede en zei: ‘Voorwaar, hier ben ik alleen, en toch heeft hij me overwonnen. Ik zal teruggaan naar de gemeenschap, want in alle plaatsen is er behoefte aan strijd en aan geduld en boven alles aan de hulp van God. En hij stond op en ging terug naar zijn plaats.

- de kruik vullen betekent waarschijnlijk: naar een (verre) drinkplaats lopen om de kruik met water te vullen.
- in dit verhaal komen twee soorten van monnikenleven voor. Welke? Aan welk soort van monnikenleven geeft de auteur de voorrang? Waarom?

V   beroering niet tot rust gebracht

Een zekere broeder die als kluizenaar leefde, werd verstoord in zijn gedachten. Hij ging op weg naar de abt Theodorus van Pherme en hij vertelde hem dat hij in beroering was. De oude man zei tegen hem: Ga, verneder je geest en onderwerp je zelf en leef samen met andere mensen. Dus ging hij weg van de berg en leefde met anderen. Hij kwam terug tot de oude man en zei: ook in het samen leven met anderen heb ik vrede gevonden. En de oude man zei: Als je geen vrede kunt hebben in afzondering en ook niet nu met mensen, waarom wilde je dan een monnik zijn? Was het niet opdat je beproevingen zou hebben? Vertel me nu, hoe veel jaren draag jij dit habijt? En de broeder zei: acht jaar. En de oude man zei: geloof me, ik draag dit habijt zeventig jaar en ik heb nog geen dag vrede gevonden, en jij wou vrede hebben in acht?

XIII   woede

De abt Agatho zei: “Als een boze (woedende) man de doden deed opstaan, hij zou God niet behagen vanwege zijn woede”.


X, XV binden van de hartstocht

Men vertelde over een zekere oude man, dat hij vijftig jaar geleefd had zonder dat hij regelmatig brood gegeten had of water gedronken. Hij zei: ik heb in mijzelf gedood lust, hebzucht en ijdelheid. De abt Abraham hoorde dat hij deze dingen zei en hij kwam tot hem en zei: “Heeft u dit gezegd?” En hij antwoordde: ‘Jazeker’. En de abt Abraham zei: Voorwaar, jij gaat je cel binnen en vindt op je bed een vrouw: kan jij je weerhouden van eraan te denken dat zij een vrouw is? En hij zei: “Nee, maar ik bevecht mijn gedachten, zodat ik deze vrouw niet aanraak. En de abt Abraham zei: Nu dan, je hebt de lust niet verslagen, want de hartstocht zelf leeft, maar het is gebonden. Opnieuw: als je wandelt op een weg en je ziet stenen en potscherven, en tussen hen zie je goud liggen, kan je aan het denken als niet anders dan stenen? En hij antwoordde: ‘Nee, maar ik weersta mijn gedachte, zodat ik het niet oppak’. En de abt Abraham zei: Zo dus, de hartstocht leeft: maar is gebonden. En opnieuw zei de abt Abraham: ‘Als je zei horen over twee broeders, dat de ene van je houdt en goed over je spreekt, maar de ander haat je en kleineert je en zij zouden naar je toe komen, zou je hen een gelijk welkom geven? En hij zei: “Nee, maar ik zou mijn geest zo verdraaien, dat ik voor hem die mij haat net zo veel zou doen, als voor degene die van mij houdt. En de abt Abraham zei: “Dus deze hartstochten leven, maar bij heilige mensen zijn ze op een of andere wijze gebonden.”

XXVII

Men vertelt van abt Johannes de Dwerg, dat hij eens zei tot zijn oudere broeder: ‘Ik zou graag zorgeloos zijn, zoals de engelen zorgeloos zijn. Zij zwoegen niet, maar dienen God zonder ophouden’ En hij ontdeed zich van zijn kleren (mantel) en ging de woestijn in. Toen hij daar een week had doorgebracht, keerde hij terug naar zijn broeder. En toen hij op de deur klopte, antwoordde zijn broeder, voordat hij open deed: wie ben je? En hij zei: ik ben Johannes. En zijn broeder antwoordde en zei tot hem: Johannes is een engel geworden en verkeert niet meer onder de mensen. . Maar hij ging door met kloppen en zei: “ik ben hem”. Maar hij wilde niet open doen en zond hem weg in benardheid. Daarna opende hij de deur en zei tegen hem: ‘Als je een mens bent, moet je werken, om te leven. Als je echter een engel bent, waarom vraag je dan om in de cel te komen? En hij deed boete, zeggend: vergeef me broeder, want ik heb gezondigd. 

Diverse thema’s

XV.IX het dode lichaam van Arsenius gesleept

Toen de abt Arsenius doodging, waren zijn leerlingen bezorgd en hij zei tegen hen: ‘Het uur is nog niet gekomen en als het komt, zal ik het jullie vertellen. Maar ik zal jullie voor de rechterstoel van Christus slepen, als jullie ook iemand lastig vallen om iets te doen met mijn lichaam. En zij zeiden: wat moeten we dan doen, want we weten niet hoe we een dode in een doodskleed moeten wikkelen of hoe hoe we iemand moeten begraven. En de oude man zei: “weten jullie niet een touw om mijn voeten te binden en me naar de berg te slepen?”

XV,IV   niet weten is het antwoord
     
Eens kwamen er oude mannen naar de abt Antonius
en de abt Joseph was onder hen.
En omdat hij hen op de proef wilde stellen, bracht hij het gesprek op een plaats uit Heilige Schriften en begon hij te vragen, beginnend bij de jongere mannen, wat dit of dat woord zou kunnen betekenen.
En ieder antwoordde zo goed als hij kon.
Maar hij zei tot hen: je hebt het nog niet gevonden.
Na hen, zei hij tot de abt Joseph: wat denk jij dat dit woord zou kunnen zijn?
Hij antwoordde: “Ik weet het niet”.
En de abt Antonius zei: “Waarlijk, de abt Joseph heeft als enige de weg gevonden, hij die zegt dat hij niet weet.
Convenerunt aliqunda senes abbatem Antonium,
eratque una cum illis abbas Joseph.
Et volens senex probare eos, sermonem proposuit ex Scriptura,
coepitque percontari a minoribus quis esset sermo ille.

Et unusquisque pro virili sua explanabat.
Senex autem singulis dicebat: Nondum invenisti.
Post cunctos abbati Josepho ait: Tu, quid sibi velle id verbi censes? Respondit: Nescio.
Excepit abbas Antonius: Omnino abbas Joseph viam invenit qui se nescire professus est.


LXX

Een zekere monnik Serapion bezat een Evangelie-handschrift. Hij verkocht het en gaf de opbrengst aan de hongerigen: want, zei, hij “Ik verkocht het woord dat ooit  tegen mij zei: ‘verkoop wat je hebt en geef het aan de armen’”


XIV,IV gehoorzaamheid, leeuwin

Men vertelde over Johannes, die een discipel van abt Paulus was, dat hij zeer gehoorzaam was. Er was in een zekere plaats een grafmonument en daarin leefde een zeer slechte leeuwin. De oude man, die haar uitwerpselen bij die plaats zag, zei tegen Johannes: ga en neem die uitwerpselen weg. En hij zei: maar, Vader, wat zal ik doen aangaande de leeuwin?” En de oude man glimlachte en zei tegen hem: “Als ze eruit komt naar je toe, bind haar en breng haar hier”. Dus ging de broeder die avond op pad en voorwaar: de leeuwin kwam eruit naar hem toe. Maar hij, gehoorzaam aan het woord van de oude man, sprintte naar haar toe om haar gevangen te nemen. De leeuwin vluchtte en hij achtervolgde haar, zeggen: Wacht, want mijn abt heeft me opgedragen u te binden: en hij hield haar aan en bond haar.
De oude man zat ondertussen te wachten. En het duurde lang. En hij begon zeer ongerust over hem te worden. Totdat hij er langzaam aan kwam lopen en de leeuwin aan het einde van een touw achter hem. De oude man was stomverbaasd over wat hij zag, maar hij omdat hij wenste hem nederig te houden, sloeg hij hem, zeggen: stomkop, heb je mij die gekke hond gebracht? En meteen bevrijdde de oude man haar en zond haar terug naar haar eigen plaats.

XII, VIII wordt een vlam

De abt Lot kwam naar de abt Joseph en zei tegen hem:
“Vader, ik onderhoud, overeenkomstig mijn kracht, een bescheiden regel van gebed en vasten en meditatie en stilte en overeenkomstig mijn kracht zuiver ik mijn verbeelding. Wat meer moet ik doen?"
De oude man stond op, hield zijn hand tegen de hemel en zijn vingers werden als tien toortsen van vuur en hij zei: ‘als je wilt, zul je helemaal een vlam worden’.



Adiit abbas Lot abbatem Josephum, cui ait:
Abba, pro virili mea perago parvum Officium meum, parvum meum jejunium, orationem, meditationem, quietem; et quantum valeo, puras obtinea cogiationes. Quid ergo adhuc debeo facere?
Surgens igitur senex, manus extendit in coelum, factique sunt eius digiti velut decem ignis lampades; et dixit ei: Si vis, efficere totus instar ignis.  (Jota Joseph 7)


 

III,X

Eens was de abt Pastor in Egypte en langsgaand zag hij een vrouw die op een graf zat en bitter weende en hij zei: ‘Als alle verrukkingen van deze wereld voorbij zouden komen, dan konden zij niet de ziel van die vrouw wegvoeren van smart. Zo moet de monnik altijd smart in zijn hart hebben.

XIII

Een broeder vroeg hem, zeggend: Wat zal ik doen? En hij zei:‘Toen Abraham in het land van belofte kwam, maakte hij voor zichzelf een graf gereed en stelde een stuk erfgrond veilig, voldoende voor een graf’. En de broeder vroeg: ‘wat betekent een graf?’ En de oude man zei: ‘een plaats van wenen en droefheid’.

XXV

Een broeder vroeg een oude man: Vader, geef me een woord’. De oude man zei tegen hem: ‘Toen God Egypte sloeg, was er geen huis zonder rouw.’

IX, IV   kruik water

Eens was een broeder in Scete schuldig bevonden, en de oudere broeders kwamen in vergadering bijeen en zonden (iemand) naar de abt Mozes en vroegen hem te komen: maar hij wilde niet. Toen zonden de priesters (iemand) naar hem, met de woorden: ‘Kom, want de vergadering van broeders verwacht u”. En hij stond op en kwam. (Alfabetische versie) Hij nam een lekkende kruik, vulde deze met water en droeg deze achter met zich mee. De anderen kwamen naar buiten om hem te ontmoeten en zeiden tegen hem: ‘Wat is dit vader?” De oude man zei tegen hen: “Mijn zonden lopen eruit achter me, en ik zie hen niet en vandaag ben ik gekomen om de zonden van iemand anders te beoordelen; Toen zij dat hoorden zeiden ze niets meer tegen de broeder, maar ze vergaven hem.

CX jonge man

Een zekere broeder, die de wereld verzaakt had en het habijt had aangetrokken, sloot zichzelf direct op en zei: Ik ben van plan een kluizenaar te worden. Maar toen de oudere mannen uit de buurt dat hoorden, kwamen zij en gooiden hem eruit en lieten ze hem boete doen voor ieder, met de woorden: “Vergeef me, want ik ben geen kluizenaar, maar heb alleen geprobeerd om te beginnen een monnik te zijn.

CXI jonge man

Zekere oude mannen zeiden: “Als je een jonge man ziet, die door zijn eigen wil opstijgt naar de hemel, grijp hem dan beet bij zijn voeten en gooi hem neer op de aarde, want het is niet geschikt voor hem.

XXXIV   verwondingen

De abt Macarius zei: ‘Als we lang stil staan bij de verwondingen die mensen ons aangedaan hebben, amputeren (verwijderen) we van onze geest de kracht om lang stil te staan bij God.

Tenslotte een verhaal uit een andere collectie (Johannes Moschus, Pratum sprituale 122):

Wij kwamen bij de abt Stephanus de Cappacociër, op de berg Sinaï, en hij verhaalde ons: ‘Toen ik, jaren geleden, in de kluizenaarskolonie Raïthu was, bevond ik mij op Witte Donderdag in de kerk. En terwijl het Heilig Misoffer voltrokken werd en alle paters daarbij assisteerden, zag ik twee anachoreten (woestijnkluizenaars) de kerk binnenkomen; zij waren naakt, en geen der paters bemerkte dat zij naakt waren behalve ik. Toen zij de communie van het lichaam en het bloed des Heren hadden ontvangen, verlieten zij de kerk en gingen heen. Ik echter ging samen met hen weg. Toen wij nu naar buiten gegaan waren, wierp ik mij voor hen neer op de grond en zei: ‘Wees mij genadig, neem mij met u mee’. Zij bemerkten dat ik hen naakt had gezien en zeiden mij: ‘Gij zijt hier goed gevestigd, blijf’. Weer vroeg ik hen, mij met zich mee te nemen; daarop zeiden zij: ‘Gij kunt niet bij ons zijn; blijf, want gij hebt een goede verblijfplaats’. Zij deden een gebed voor mij en onder mijn ogen hebben zij te voet de wateren van de Rode Zee betreden en zijn over zee heengegaan”.

- bemerk: het verhaal wordt verteld in een klooster op de berg Sinaï (dat is in de Sinaï-woestijn van Egypte). Raïthu is een plek tussen de berg Sinaï en de Rode Zee. Het wordt verteld door Stephanus, maar het verhaal wordt door anderen (‘wij’) aan ons verteld.

- naakte mannen. Wie in de bijbel waren naakt? Waar komen deze anachoreten dus vandaan?
- iemand als Stephanus de Cappadociër die op de berg Sinaï woont, stel je je daarbij een heilig man voor of niet?
- hoe komt het dat de anderen niet opmerken dat de twee anachoreten naakt zijn en Stephanus wel?
- begrijp je nu ook waarom Stephanus met hen mee wil?
- de anachoreten betreden de wateren van de Rode Zee. Aan welke bijbelverhalen doet je dit denken?
- wat zegt dit verhaal over anachoreten. Waar leven zij?
- ‘Gij zijt goed gevestigd’ zeggen de anachoreten. Wat bedoelen ze daarmee?
- wat zegt dit verhaal over de menselijke existentie, waar is onze plaats? Hoe moeten we daar kijken?

De verhalen zijn ontnomen aan de zgn. systematische versie van de Apophtegmata Patrum. Ik heb gebruik gemaakt van de Engelse vertaling van Helen Waddell in haar boek The Desert Fathers. Recenter verschenen vertalingen van Benedicta Ward o.a. The Sayings of the Desert Fathers, The Alphabetical Collection, Liturgical Press, Collegeville 1975. Een zeer leesbare en wetenschappelijke inleiding biedt het boek van William Harmless, S.J., Desert Christians, Oxford 2004.
De Latijnse en Griekse tekst van de Alfabetische Collectie zijn hier te vinden.