Liturgie en natuur
Naar Homepage

Naar Hoofdstukpagina Liturgiek

Naar Archief

Naar Weblog

Het volgende is een onderdeel van een lezingenreeks die ik in 1993 in Oisterwijk gaf over de verhouding mens-natuur.

De feesten die wij vieren in de kerk zijn voor ons christelijke feesten d.w.z. alles wat er gevierd wordt heeft betrekking op het christelijk-inhoudelijke, op alles wat met verlossing en bevrijding te maken heeft. We weten wel dat Kerstmis ook een achtergrond in de natuur heeft, als het feest van het licht, maar dat is toch ook altijd een beetje verdacht. We noemen dat heidens. Wat ik nu vanavond zou willen doen is kijken naar de feesten van Israël en van de kerk en laten zien hoe die samenhangen met de seizoenen. Hoe de beleving van de natuur erin terugkomt en een positieve rol kan spelen. We kijken naar de feesten van Israël, juist ook om te laten zien dat het verbinden van feesten met de natuur niet alleen iets van de volken, van de heidenen is.

Israël kent slechts twee seizoenen. Een regenloze zomer, begin mei tot eind oktober, die eigenlijk niet eens zo ontzettend warm is (23 graden in augustus) en een regenachtige winter met januari als koudste maand (7 graden). De neerslag is er alleen in de winter en er worden in bijbelse tijden drie soorten neerslag vermeld. 1. de vroege regen (oktober en november) 2. de winterregen (midden december tot eind maart), belangrijk voor het aanvullen van de bronnen 3. de late regen (april en mei), die onontbeerlijk is voor het goed laten slagen van de oogst.
Als in oktober en november de eerste regen valt, ontwaakt het plantenleven en in maart als de temperatuur stijgt is er een rijk tapijt van gras en bloemen. In de regenloze tijd sterft alles af.

Kijken we naar de landbouw dan worden er verschillende produkten verbouwd:
1. olijven (oogsttijd oktober en november)
2. vijgen (vroege vijgen vanaf begin april, zomervijgen van augustus tot december.
3. Eind oktober, in november of begin december wordt het land klaar gemaakt voor het zaaien. Het wordt geploegd en geëgd en dan volgt het zaaien. Gerst wordt het eerst geoogst, vanaf begin april (Jordaandal) tot begin mei (berggebied). De tarweoogst begint 14 dagen later.
Er is ook een zomeroogst (gierst en wikke), die gezaaid wordt na het zaaien van de winteroogst op aparte velden en soms na het binnenhalen van de winteroogst (augurken).
4. Daarnaast is er natuurlijk de wijnbouw. Die is niet anders dan in Europa. De druiven worden geoogst in september, op sommige plaatsen (Jordaandal) wat eerder.

Wat je nu ziet is dat de feesten van het oude Israël zich voegen naar de kalender van de landbouw. De drie grote feesten die in het oude Israël gevierd werden (Pasen/feest van de ongezuurde broden, Wekenfeest (ons Pinksteren) en het Loofhuttenfeest, vallen alledrie op belangrijke data voor de landbouw: Pasen/ feest van de ongezuurde broden bij het begin van de gersteoogst, het Wekenfeest bij het einde van de tarweoogst en het Loofhuttenfeest tijdens of na de vruchtenoogst.

Wat je nu ziet in Israël is dat er een verknoping plaatsvindt van de heilsgeschiedenis en deze gegevens uit de natuur. Voor het huidige jodendom betekenen de feestdagen dan ook het vieren van twee momenten. Verlossing en schepping.
Met dit in ons hoofd kijken we naar de Israëlitische feestkalender.

Het Paasfeest

Het Paasfeest is in bijbelse tijden verknoopt geraakt met het feest van de ongezuurde broden. Tijdens het feest der ongezuurde broden wordt volgens de traditie van Deuteronomium en Exodus 12 al het oude zuurdeeg weggedaan. Daarna eet men gedurende zeven (zes) dagen ongezuurde broden (brood van de nieuwe oogst De Vaux p. 439). Dit valt samen met de eerste gersteoogst (Deut. 16:9). Het is een feest dat verwijst naar het nieuwe van de nieuwe oogst.
Zijn er behalve praktische (dezelfde maand) en historische redenen (centralisatie van de cultus in Jeruzalem) ook inhoudelijke redenen voor het samengaan van Pasen en het feest van de ongezuurde broden. In ieder geval komt het eten van ongezuurd brood ook voor in het verhaal over de uittocht.
In de synagogale eredienst is de herinnering aan het land bewaard door het gebed om dauw.
Tussen Pasen en het wekenfeest is de tijd van de Omertelling. Zeven weken lang telt men elke avond welke dag het is. De Omertijd begint met het offer van een omer gerstekorrels  (Lev. 23:9-17).

Het wekenfeest

Zeven weken later wordt het wekenfeest gevierd. Dit feest sluit de tarweoogst af. Opmerkelijk is dat er nu een offergave van gezuurd brood gegeven wordt (Lev. 23:17). Dit legt een band met het feest van de ongezuurde broden en sluit de oogstperiode af. In de synagoge wordt op dit feest het boek Ruth gelezen dat zich ook afspeelt in de oogsttijd. Pas vanaf de tweede eeuw wordt het wekenfeest een feest dat de wetgeving op de Sinaï gedenkt. Men is dan uit Israël verdreven, de direkte relatie met de oogst is voorbij en men geeft er een andere betekenis aan.
Of er een direkte relatie is tussen het wekenfeest en het pinksterfeest interesseert ons hier niet. Wat ons interesseert is dat men de datum overgenomen heeft.

Het loofhuttenfeest

Ook het derde grote feest, het loofhuttenfeest, wordt op een voor de oogst belangrijk tijdstip gevierd. Ook in zijn viering heeft het loofhuttenfeest het karakter van een oogstfeest. In Ex. 23:16 wordt het feest der inzameling genoemd. In Deuteronomium 16 wordt het heel nadrukkelijk in verband gebracht met de oogst: wanneer gij de opbrengst hebt ingezameld van uw dorsvloer en van uw perskuip. Op het feest worden vruchten meegenomen (Lev. 23:40). De betekenis die het Loofhuttenfeest krijgt is de herinnering aan de loofhutten waarin het volk door de woestijn zwierf (Lev. 23:43).
Tijdens het slotfeest wordt een gebed om regen uitgesproken. (Soetendorp 205 die daaraan toevoegt dat dit nog steeds gebeurt en dat dit in West-Europa wat paradoxaal lijkt).
Het vaststellen van de data van de verschillende feesten is een proces met een lange geschiedenis. Ik zal niet ingaan op dit proces. Het is heel goed mogelijk dat vroeger feesten niet op een bepaalde datum gevierd zijn, maar gewoonweg afhingen van het binnenhalen van de oogst.(In een tweetal kalenders (Ex. 23:14-17 en Ex. 34:18-23) worden geen data genoemd.) In een latere cultuurfase heeft men de feesten vastgesteld met behulp van de maan. (In Babylon had men een goed ontwikkelde astronomie. Men was in staat om het zonnejaar te berekenen en de omloop van de maan en de planeten Venus, Mars, Jupiter en Saturnus.)

In Israël en nog steeds in het jodendom heeft men het maanjaar. Het maanjaar heeft 354 dagen onderverdeeld in 12 maanden van 29 of 30 dagen. Een maand begint met nieuwe maan, zodat de 15e van een maand altijd volle maan oplevert. Als we kijken naar de data van de feesten dan zien we dat veel feesten bij nieuwe maan (de eerste dus) of volle maan gevierd worden. Overigens begrijpt u wel dat een jaar van 354 dagen problemen oplevert, na verloop van tijd loop je uit de pas met het zonnejaar dat 365 dagen en een kwart dag duurt en dus met de seizoenen en de oogst. Om dit te voorkomen voegt men af en toe een extra maand toe aan het jaar. De twaalfde maand wordt dan herhaald. Dit komt 7 keer in de 19 jaar voor. De Islam die ook een maanjaar kent doet dat niet, zodat hun tijdrekening niet parallel loopt met de seizoenen. De Ramadan wordt daarom steeds op een andere tijd van het seizoen gevierd.

Soetendorp beschrijft (p. 138) hoe heden ten dage in orthodox joodse kring er op de eerste dag van de nieuwe maan een speciaal gebed gebeden wordt. De maan wordt daarbij vereenzelvigd met het joodse volk: dat sterft en kwijnt weg, maar komt ook weer tot wasdom. Zo ontstond de gewoonte om aan dit gebed toe te voegen: "David, de koning van Israël, hij leeft, hij bestaat". Zo wordt er messiaanse symboliek verbonden met de opkomst en ondergang van de maan.
Ook wordt er gedurende de eerste helft van iedere maand de zegenspreuk over de maan uitgesproken. Normaal op een zaterdagavond na het uigaan van de Sabbat. Dit gebeurt in de open lucht en alleen dan wanneer de nieuwe maan zichtbaar is (W.J. van Bekkum, Joods leven p.7). Hoe algemeen dit is weet ik niet.

We lopen nu de huidige joodse feestkalender door, die voor het grootste deel ontstaan is in de periode van de tweede tempel, dus na de Babylonische ballingschap, maar voor de geboorte van Christus en de verwoesting van de tweede tempel in 70 na Christus.

Ik wil niet ingaan op alle joodse feesten, dat zou een apart leerhuis vergen. Ik wil alleen wijzen op de verbinding met volle maan van een aantal feesten.
Rosj Hasjanah is volgens de joodse traditie de dag van de schepping van de wereld. Soetendorp schrijft hierover: Rosj Hasjanah probeert verband te leggen tussen de schepping van de wereld...en de taak die de mens heeft de wereld zo op te bouwen dat hij aan de oorspronkelijke bedoeling beantwoordt. (p.191)
(Chanoeka (herinwijding van de tempel) is een feest waarbij lampjes gebrand worden. Of het een achtergrond heeft in een lichtfeest is onzeker. Het lastige daarbij is, dat het verschuift t.o.v. het zonnejaar.)
Ik wijs nog op Toe bi-Sj'wat, het Nieuwjaar van de bomen. De achtergrond van dit feest zou de volgende zijn. Volgens de joodse traditie mag men pas vruchten eten van een boom die een bepaald aantal jaren oud is. En daarna moeten de bomen steeds sabbatsjaren hebben waarbij er niet van gegeten mag worden. Maar hoe bepaal je precies hoe oud een boom is? Toe bi-Sj'wat geldt als een soort verjaardag van de bomen. Het is in Israël de gunstige seizoenstijd om bomen te planten (eind januari).
Het staat tegenover de 15e Av, die in de zomer gevierd werd, maar nu nog zelden gevierd wordt. Waarschijnlijk gaan beide feesten terug op kanaanitische feesten.
Poeriem wordt gevierd op de wijze van een lentecarnaval.

De kerk

De belevingswereld van Europa voor wat betreft de natuur - en de natuur was in die tijd zo overweldigend aanwezig en zo dominerend in het dagelijkse leven, dat zij de context par excellence was - verschilde van die van Israël. Europa - en zeker Westeuropa - heeft een ander klimaat. De tarweoogst is veel later (augustus), het klimaat is grimmiger met een veel koudere winter. Er zijn meer jaargetijden dan alleen de zomer en de winter. Wat bovendien opvalt is dat het verschil tussen licht en donker een veel grotere rol speelt dan in Israël. Dat verschil is op het hoogst van de winter en de zomer een paar uur. De jaarlijkse cyclus van de zon (n.l. het draaien van de aarde om de zon) is voor Europa nog belangrijker dan voor het Midden-Oosten.   

De kerk stond voor een lastige opgave in Europa. De opgave was: hoe introduceer en vier ik christelijke feesten. De kerk heeft er voor gekozen om hierbij aan te sluiten bij de belevingswereld van Europa, zij koos voor contextuele feesten.
De kerk heeft zich niet aangesloten bij de joodse kalender. Waarschijnlijk had ze daar ook niet de keuze voor. In ieder geval heeft ze de Romeinse kalender overgenomen, die uitgaat van het zonnejaar. De Romeinse kalender is overgenomen uit Egypte.
De zon is natuurlijk ook veel belangrijker d.w.z. kostbaarder in Westeuropa dan in Israël. De paasdatum is in het christendom afhankelijk van het zonnejaar n.l. het tijdstip van de lenteevening (rond 21 maart) en vervolgens de eerste zondag na volle maan.
In de vroege westeuropese kerk heeft men (in de liturgie van de Romeinse traditie) om de jaargetijden te accentueren, rond elke evening een aantal quatertemperdagen ingevoerd. Dat waren dagen van boete en vasten. Zo waren er quatertemperdagen rond de veertigste dag voor Pasen, tussen derde en vierde advent en in de derde week van september (vroeger trouwens tussen de 17 en 18e zondag na pinksteren, een wisselende tijd dus, die niet uitgaat van het zonnejaar, maar van de paasdatum). Op de quatertemperdagen van de zomer werd gebeden om een goede oogst. Deze quatertemperdagen werden trouwens vlak voor of na pinksteren gehouden. Er werd gelezen: "Bidt dan den Heer des oogstes dat Hij arbeiders uitzende voor zijn oogst". Dat sluit mooi bij pinksteren aan. Ook werd er Joël 2:23 en 24 gelezen, de bede om goede regen en om een volle dorsvloer.

Wat ons hier interesseert is niet de relatie tussen de kerkelijke kalender en de landbouw. Die is op zich overweldigend. Er was maar één kalender en dat was de kerkelijke kalender, die beleefd werd in de gang van heiligendag naar heiligendag. Het ligt voor de hand dat het agrarische werk daarop afgesteld werd. In de quatertemper dagen na Pinksteren (voor Sint Pieter, 29 juni) werd er geploegd. In de herfst voor St. Adelphus (11 september). Want ons hier interesseert is de inhoudelijke verbinding tussen de liturgie en de stand van zaken in de natuur/resp. de landbouw.

Het meest briljant is de combinatie van natuur en liturgie geslaagd in het Kerstfeest. Het Kerstfeest is een uitvinding van de christelijke kerk en is vanaf de vierde eeuw in zwang geraakt. De evangeliën vermelden geen enkele datum voor de geboorte van Christus. In een briljante greep heeft men het Kerstfeest op 25 december gezet, een aantal dagen na de zonnewende. Daarmee heeft de ervaring van het seizoen een aantal belangrijke catechetische punten opgeleverd. De geboorte van Christus op natuurlijke wijze verbonden geraakt met de profetiën uit Jesaja 9 "Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien". Ook de kou die in zoveel kerstliederen een rol speelt "het hageld' en 't sneeuwde en 't was er zo koud, de rijp lag op de daken, ook die laat nu voelen wat het betekent in wat voor wereld Christus geboren wordt.

Wij lazen vorige keer Jesaja 11. Die traditie heeft men opgenomen in de Kerstnacht. In de kerstnacht is de tijd van de vrede tussen de dieren, maar ook van de bloei.

En nu?

Hoe zouden wij nu het kerkelijk jaar dichter bij de natuur kunnen brengen?