Het 'nieuwe wij'
Naar Archief

Naar Homepage

Naar Weblog

Naar  artikelen over Wilders

Een zekere onduidelijkheid over het ‘wij’ van de samenleving hoort bij een vrije en open samenleving. Anders dan in een autoritaire samenleving is er geen staatsmacht die een bindende en eenduidige identiteit aan de samenleving op kan leggen. Door discussie, strijd en coalitievorming moet de samenleving zelf vorm geven aan wat haar bindt.

De roep om een nieuw ‘wij’ kwam dan ook meteen op tafel toen Nederland door de grondwetsherziening van 1848 een open samenleving werd. Alle burgers hadden voortaan gelijke rechten. Maar wat verbond hen nog met elkaar, als de staat neutraal was en de burgers mochten zijn wie ze wilden?

Petrus Hofstede de GrootDe Groningse hoogleraar Petrus Hofstede de Groot nam deze handschoen op en deed een voorstel om een ‘nieuw wij’ te creëren. Hij pleitte voor een nieuwe  Nederlandse kerk. Deze nieuwe kerk zou alle burgers moeten verenigen. Er zou verdraagzaamheid heersen en in de nieuwe kerk zouden de geloofswaarheden voorop staan waar iedereen het wel over eens was. Op deze manier zou de samenleving verenigd zijn.

Hofstede de Groot kreeg geen poot aan de grond. In plaats van naar eenheid te streven gingen orthodox-hervormden, gereformeerden, katholieken en socialisten over tot eigen partijvorming en ontstaan de zuilen.

Aan het einde van de 19e eeuw werden er vanuit de liberale burgerij initiatieven ontwikkeld om dwars door de zuilen heen het gezamenlijke ‘wij’ te accentueren. Men koos daarbij niet voor een overkoepelende ideologie of organisatie maar voor evenementen, waar iedereen aan mee kon doen. Koninginnedag werd voortaan ingevoerd en gevierd. In een stad als Leiden werd voortaan het Leidens Ontzet uit 1574 herdacht met volksfeesten en plechtigheden. In het onderwijs, in het leger en in de media werd grote moeite gedaan om een nationaal besef aan te kweken, dat regionale en levensbeschouwelijke verschillen moest overstijgen.

In deze jaren van verzuiling ontstaat er een dubbel ‘wij’: een ‘wij’ van de zuil en een ‘wij’ van de nationale staat. De wetgeving in Nederland was er op gericht  het dubbele ‘wij’ tot zijn recht te laten komen: enerzijds een binding aan algemene, nationale wetten en waarden, tegelijkertijd ruimte in onderwijs, godsdienst, pers en verenigingsleven voor de eigen overtuiging.

Eind jaren zestig omarmen de bovenlagen van de katholieke, gereformeerde en socialistische zuilen nieuwe levensidealen. Een brede groep mensen uit de bovenste helft van de samenleving - journalisten, kunstenaars, leraren, ambtenaren, beleidsmakers en progressieve predikanten - oriënteert zich op een lichtvoetige combinatie van waarden uit de Romantiek en de Verlichting. Een mens moet zich niet meer oriënteren op een leer van buiten, maar op wat binnen in hem zit. Hij of zij moet zich niet laten remmen door traditie, gezag, godsdienst of binding aan het vaderland. Een mens moet zijn leven vormgeven vanuit zijn eigen creativiteit. Wetten en zedelijkheidsregels zijn vooral belemmeringen Niet het vaderland is de horizon, maar de hele wereld..

Het dubbele ‘wij’ van het verzuilde Nederland verdween. Het nationalisme verdween als bindende factor en ook de zuilen verschrompelden. Niet alleen op het ‘wij’ hadden deze ontwikkelingen invloed, het had vooral ook invloed op het ‘ik’ van de Nederlanders. Het zijn deze veranderingen in het ‘ik’ die een belangrijk deel van onze huidige problemen uitmaken.

In de tijd van de verzuiling kwam de persoonlijkheidsvorming tot stand doordat een mens steeds weer gecorrigeerd en gevormd werd vanuit de beginselen van de zuil. In een voortdurende wisselwerking met zuilgenoten - in de kerk, op de jongelingsvereniging, in de vakbond - werd je identiteit bevestigd en versterkt. De moeilijke kant daarvan was dat afwijkende denkbeelden en gedragingen mondjesmaat getolereerd werden. De positieve kant was, dat er mensen ontstonden die wisten wie ze waren en waar ze voor stonden. Of op zijn minst wisten ze naar wie ze moesten luisteren.

Deze persoonlijkheidsvorming ontbreekt op dit moment. Wij moderne mensen sturen onze kinderen niet naar catechisatie, maar naar een toneelclubje. Een mens is voor ons een creatief wezen dat zijn eigen talenten moet ontwikkelen.

Maar die nieuwe mens valt tegen. De droom was dat het individu dat zich aan de zuil ontworsteld had een vrij en sterk mens zou zijn. Hij blijkt echter een veel zwakkere mens te zijn. Hij of zij is onmachtig tegen de indrukken, meningen en hypes die elke dag over hem uitgestort worden. Het eigen hart en het eigen gevoel blijkt niet zo’n sterk kompas te zijn. De individuele mens wordt makkelijk op sleeptouw genomen. De samenleving is daardoor gevoelig voor hypes en collectieve woedeuitbarstingen.

De nadruk op het eigen gevoel en het eigen beoordelingsvermogen heeft ook een verandering in moraal en spiritualiteit geleid. Traditioneel werden woede, trots en begeerte als ondeugden gezien en afgeremd. Maar door de nadruk op de eigen persoonlijkheid zijn dit geen ondeugden meer die van buiten tot de orde geroepen worden. Voortaan zijn ze hoogstpersoonlijke onderdelen van een mens die daarom de ruimte moeten krijgen. Zo heet begeerte voortaan het ontdekken van je authentieke verlangens. Trots wordt  het opbouwen van een image. Woede wordt het eerlijk luchten van je hart. En er is geen plaats voor spirituele kaders die verder reiken dan het ‘ik’: het idee dat je leeft in een schepping van God die groter en ondoorgrondelijker is dan jouw leven of dat je staat in een lijn van geslachten.  

Mijn stelling is dat willen we tot een verandering van het ‘wij’ kunnen komen er eerst een verandering van het ‘ik’ nodig is. Daarbij wil ik niet terug naar een samenleving waarin de eigen gevoelens en gedachten van een mens geen ruimte krijgen. Voor zo’n autoritaire samenleving ben ik zelf ongeschikt en ik wens dat niemand toe. Ik wil dat de concentratie op het ‘ik’ verbonden wordt met morele en spirituele gedachten en tradities. Zodat het ‘ik’ niet meer overgelaten wordt aan zichzelf, maar geholpen en gesterkt wordt. Ik hoop op een wending in de cultuur waarbij het bon ton is om de bloei van jezelf te zoeken in een vruchtbare reflectie op de bronnen van spiritualiteit en cultuur. We hebben behoefte aan mensen die zichzelf toetsen en laten bijschaven door morele en spirituele kaders. 

Deze morele en spirituele tradites komen niet aan de orde zonder dat je contact houdt met een gemeenschap, zoals een kerk, een moskee, een school of een vereniging. Zonder gemeenschap krijg je onvoldoende stimulansen, zie je geen levende praktijk voor je en zie je ook niet het plezier en de vruchten van een ander leven. Het ‘nieuwe ik’ waar ik voor pleit kan niet zonder een aansluiting bij allerlei vormen van gemeenschap.

Maar is er in de samenleving wel ruimte voor zo’n verandering? De Franse politicoloog Claude Lefort heeft gesteld dat in een democratie de macht niet in handen van één institutie of één groep moet zijn. In een waarlijke democratie is er een voortdurend geïnstitutionaliseerd machtsconflict tussen verschillende groepen en instituties. Denkend aan de tempel in Jeruzalem stelt hij dat de plaats van de macht een lege plaats moet zijn. In het openingsartikel van deze serie over het ‘nieuwe wij’ sluit de socioloog El Hadioui bij deze gedachten aan. Hij pleit voor een samenleving waarin ruimte is voor alle mensen om bij te dragen aan samenleving aan cultuur. Hij wil dat mensen uit verschillende richtingen ‘samen op zoek gaan naar datgene wat goed is voor iedereen, om uiteindelijk het beste, het zuivere, het excellente voor alle mensen te bewerkstelligen’.

Die openheid ontbreekt op dit moment in Nederland en daardoor is er geen sprake van een gezamenlijk zoeken of strijden. Er is één mensbeeld al veertig jaar overheersend onder beleidsmakers en opinieleiders: een mens die zijn kaarten zet op zijn eigen overtuiging en gevoel en de wereld naar het beeld van zijn hart hoopt te herscheppen. Hun ideeën over het onderwijs, de zorg, het strafrecht en de internationale politiek zetten zij door. Zij zien anderen niet staan. Voor hen zijn mensen die vast houden aan traditie, Godsgeloof of natie dom en bekrompen. Zij  worden niet erkend als medezoekers en mededingers naar waarheid en excellentie, maar al bij voorbaat verdacht gemaakt en weggezet als kleinburgers, achtergeblevenen en onderdrukkers. En dus is er nauwelijks ruimte voor anderen. Niet voor orthodoxe christenen en orthodoxe moslims, maar ook voor mensen die niet zo internationaal georiënteerd zijn. Voor wie Nederland een nationaal huis is: een overzichtelijke en beschermende gemeenschap met duidelijke regels. Geert Wilders en Jan Marijnissen verwoorden hun stem.

In een democratische samenleving zou de vraag naar het ‘wij’ een vraag moeten zijn die open ligt. Ik hoop op een samenleving waarin er van vele kanten een inbreng is in cultuur en bestuur. Om die te bereiken zal er eerst een herbezinningproces op gang moeten komen binnen een brede groep bestuurders, intellectuelen, leraren en journalisten. Er moet daar een nieuw ‘ik’ komen, sterker verbonden met traditie en wat mij betreft ook Godsgeloof. En opener naar anderen.

Coen Wessel

Verschenen in: Volzin, opinieblad voor geloof en samenleving, jrg. 8, nr. 24, 18 december 2009.