Jefta
Naar Homepage

Naar Preekarchief

Naar Weblog
Een afschrikwekkend verhaal. Een man offert zijn eigen dochter. Als in een tragedie zijn we getuige van de noodlottige opeenvolging van gebeurtenissen: de bedreiging van Israel; de toezegging aan Jefta dat hij de leider zal zijn als hij de Ammonieten verslaat; Jefta’s  belofte; de overwinning. En dan gebeurt wat je al vreesde, het is niet een dier dat hem tegemoet komt lopen, niet een geitebokje, maar inderdaad zijn dochter komt hem als eerste tegemoet uit de deur van zijn huis.

De eerste reactie op een verschrikkelijk bericht is de ontkenning. Het mag niet waar zijn dat zoiets in de bijbel staat en dus is het niet waar. In verschillende uitlegtradities wordt daarom geprobeerd het verhaal anders af te laten lopen. In prJefta dochter beweendotestantse kinderbijbels wordt de dochter van Jefta een vrouw die haar leven voortaan aan God bij de tempel wijdt, als een meer symbolisch offer. “Ze heeft toen ze in de bergen was, haar zaak aan een rechtbank voorgelegd” probeert een andere traditie te lezen. Maar het verhaal is hard en helder over de afloop. “Toen ging zij met haar vriendinnen haar maagdom bewenen in het gebergte. Na de twee maanden keerde zij naar haar vader terug en deze voltrok aan haar de gelofte, die hij gedaan had.”

Jefta, een man die door zijn broeders verjaagd is. Jij hoort niet bij ons. Jij bent geen echte zoon van je vader. Jij krijgt geen erfdeel, het erfdeel is alleen van ons. En van de mensen die nooit wat kado gekregen heeft in zijn leven. Het moest altijd verdiend worden, altijd bevochten. Daarom vragen ze hem ook. Omdat hij zo goed kan vechten. Deze man kan zich niet voorstellen dat je bij God niet alles hoeft te verdienen. Dat er met God geen ruilhandel bedreven hoeft te worden. Ik mijn overwinning, dan jij wat mij als eerste tegemoet komt.
Dat is de psychologiserende kant en ook de verontschuldigende kant  van het verhaal. Jefta als slachtoffer van zijn jeugd.

Maar ik denk dat we hem toch wat serieuzer moeten nemen. ‘t Is een volwassen vent tenslotte. Zou hij echt niet geweten hebben, dat hij mogelijk zijn dochter op het spel zette. Teruggehaald door de mannen die hem verstoten hadden, aan het hoofd van het leger gezet, door Gods geest aangegrepen. Wie kan hem wat maken?

En ligt daar niet ook onze fascinatie met Jefta. Natuurlijk zijn belofte verschrikt ons, maar juist het afschuwwekkende van de belofte fascineert ons. Jefta trekt zich niets aan van de moraal. Of dat doet hij wel, - hij vindt het vreselijk wat hij gedaan heeft - maar zijn offerbelofte krijgt voorrang. Aan zijn offer houdt hij vast, dat is belangrijker dan zelfs zijn eigen dochter. Jefta laat een kant zien van de godsdienst die we zo misschien niet zelf in huis hebben, maar die fascineert: een heilig vuur, een heilige godsdienstigheid, die onze grenzen overschrijdt, zelfs die morele grenzen van “Gij zult niet doden”. En dan hier wham. Een verterend vuur dat alle perken te buiten gaat.
Kollum Vaatstra 1999Daar verlangen we naar in een eeuw waarin de godsdienst zo volstrekt gemoraliseerd is. Waarin in de kerken toch vooral goedheid en braafheid en opkomen voor je medemens gepreekt wordt. Kijk, er is niets tegen goedheid en opkomen voor je medemens, maar het raakt  op een of andere manier sommige kernen van je bestaan niet. Ik denk dat daarom in Kollum, de overheid, maar ook zeker de kerken, een fout hebben gemaakt door in de hele geschiedenis van de moord op Marianne Vaatstra en het asylzoekerscentrum vooral de mensen voor te houden: je mag niet discrimineren, je mag niet bij voorbaat naar het asylzoekerscentrum wijzen. Dat is natuurlijk wel zo, en er zijn onder de demonstranten in Kollum zat mensen die nog nooit de moeite hebben genomen met buitenlanders rond de tafel te gaan zitten of een moskee te bezoeken of wat dan ook voor stap te zetten, maar door alleen te moraliseren, door alleen te zeggen: je mag niet discrimineren, hebben ze vele mensen in Kollum niet bereikt. Ze zijn niet in contact gekomen met de angst, de woede en de vreemdelingenhaat van een groot aantal Kollummers. Want angst wordt niet weggenomen door te zeggen: je mag niet bang zijn. Haat wordt niet weggenomen door te zeggen: je mag niet haten. En dat contact leg je ook niet door een beschaafde hoorzitting te houden, want daar gaat alles er weer rationeel, ordelijk en moreel verantwoord aan toe. Het was beter geweest als ze lijfelijk dat contact gezocht hadden, als ze niet in de sporthal waren blijven zitten, maar naar buiten waren gegaan en zo hadden getoond dat ze luisterden naar de angst en de haat van de mensen buiten. Dat had het begin van herstelde verhoudingen kunnen zijn. Nu gaat het doorzieken.

Wenden we ons weer tot de bijbel. Want juist die kan ons helpen om een niet rationeel en een niet alleen maar moreel gedrag te ontwikkelen dat uiteindelijk veel medemenselijker is. In de bijbel gaat God wel de ontmoeting aan met zijn mensen. En in die confrontatie is hij nu niet bepaald rationeel, goed, lief en aardig. Als Mozes op weg gaat naar Egypte om het volk uit de slavernij te bevrijden, probeert God hem te doden. Alleenjacob worstelt met engel een besnijdenis redt hem. Als Abraham eindelijk een zoon gekregen heeft, de zoon waarmee het verbond wordt voortgezet, vraagt God hem te offeren. Als Jacob zich na al zijn omzwervingen met zijn broer Esau zal verzoenen, worstelt God met hem op leven en dood en verwondt hem aan de heup, de plaats van zijn. geslachtsorgaan. Op beslissende momenten in de bijbel gaat God een dodelijke worsteling met zijn mens aan.

Wij hebben van God een goede God gemaakt. Die het beste met de mensheid voor heeft. Een God die op de bres staat voor de armen en waar we in vrouwvriendelijke termen over spreken. En toch, voor dat alles, zit een kern die niet alleen maar goed, lief, vriendelijk en aardig is.
Net zoals je niet verliefd wordt op het aardige gedrag van iemand. Maar liefde krijgt vorm, in het contact en de uitstraling en dus ook de botsing van twee persoonlijkheden. In een gevecht, in het lijf tegen lijf. In een erotiek die meer is dan strelen en meer is dan elkaar laten genieten, maar waarin mensen zich geven.
Er is een overgave aan God, een verstrengeling, een botsing, een ontmoeting en een gevecht met God dat er eerst is, voor alle geboden en voor alle moraal. God is niet alleen maar lief en vriendelijk in die ontmoeting, maar hij is er in heel zijn persoon, in heel zijn kracht en in heel zijn weerstand.
In die botsing wordt de mens uitgedaagd niet alleen maar goed en gehoorzaam te zijn, maar zich te geven, zich ook bloot te geven, om te vechten met heel je kracht, om te verzoenen waar God onverzoenlijk is, om verantwoordelijk te zijn waar God onverantwoordelijk is. In die botsing ontstaat het verbond van God met zijn mensen.

Jefta botst niet met God. Er is geen worsteling. Het blijft stil rond Jefta. Doodstil. God is in de hele geschiedenis van Jefta en zijn dochter afwezig. Zegt geen woord. Als een zwijgend, afkeurend commentaar op zijn woorden en daden. “Omdat hij zelf het initiatief nam en niet wachtte op God, omdat hij God verzocht: hij dwong God om de verantwoordelijke partij te spelen, in plaats van zelf verantwoordelijk te zijn”, zegt de traditie. Maar misschien zwijgt God ook wel omdat Jefta niet zichzelf blootgeeft, niet zichzelf inzet maar een ander. Hij gaat het gevecht niet zelf aan, dit is geen man tegen man, zoals bij Jacob, maar Jefta zet zijn dochter in.
Zo wordt Jefta’s offerbelofte geen triomfantelijk vervolg van Abrahams offergeschiedenis, van Jacobs worsteling en Zippora’s verzoenend snijden, zoals steeds in het boek Richteren alle grote thema’s uit Israels geschiedenis in hun tegendeel verkeren. Jefta bevrijdt Israel nog wel, maar in de wijze waarop richters als Jefta en Simson bevrijden zie je het afglijden van Gods verbond tot een uitzichtloze oorlog van allen tegen allen.
Jefta dochter beweend
Het bijbelverhaal eindigt met geween. Eerst weent de dochter. Zij weent over haar maagdelijkheid. Zij zal geen deel hebben aan de voortplanting en dus ook niet aan verwerkelijking van Gods verbond, dat oudtestamentisch altijd met de voortplanting verbonden is. Haar toekomst en daarmee de toekomst met God gaat verloren. Zoals de hele toekomst van Isral in Richteren verloren dreigt te gaan.
Daarna verhaalt de bijbel over de traditie van jonge vrouwen om vier dagen per jaar een lied te zingen over de dochter van Jefta. Niet bij Jefta hoe fascinerend hij ook is, eindigt het verhaal, maar het verhaal eindigt bij wie - goed of slecht, fascinerend of niet - uiteindelijk het slachtoffer is van deze godsdienst. En geeft haar stem. Vier dagen per jaar. Zo houden deze vrouwen de  dochter van Jefta levend, zo openen ze voor haar een toekomst. Deze vrouwen geven Isral toekomst.

Exodus 4:24-26, Richteren 11:1-3 en 30-40 september/oktober 1999

P.S. Dit is n van mijn favoriete preken.