Bidden tegen moedeloosheid
Naar Homepage

Naar Preekarchief

Naar Weblog
Als je met je kind naar een speeltuin of een dierentuin bent geweest, dan komt tegen het einde van de middag het moment dat ze een beetje gaan jengelen. Ze worden moe. De één kruipt op schoot, de ander wordt boos en gaat huilen. De dag is mooi geweest, alle energie is op en eruit en nu houden ze het niet meer.
depressief
 Ook als volwassene kan je moe worden. Van hard werken, soms. Maar het meeste word je moe van dingen die niet lukken. Van ergens aan werken - en je denkt het is vergeefs. Het helpt niet. Dan kan een grote vermoeidheid je overvallen. Je kan niks meer kan. Je komt nauwelijks je bed uit. Het gaat gepaard met een somberte, een gevoel: wat maakt het uit.

Ook in het geloof kan je de moed verliezen. Je kan denken: allemaal mooi en wel, maar ik merk er zo weinig van. Ik zie zo weinig van God. Paulus schrijft in zijn brieven aan christelijke gemeentes wel vier of vijf keer: verlies de moed niet, ga door met goede dingen te doen, wordt niet moe. Moedeloosheid in het geloof is dus blijkbaar niet alleen van onze tijd.

Wat moet je doen tegen moedeloosheid in je geloof, tegen dat gevoel het helpt allemaal niets? Jezus zegt: bidden. Ik vind dat eigenlijk best gek. Je kan ook zeggen: tegen moedeloosheid helpt: doorzetten, kom op, zet hem op. Of tegen moedeloosheid helpt het om eens even een adempauze te nemen. Even tot rust komen, niet jezelf voorbij te lopen. Maar Jezus zegt: tegen moedeloosheid helpt het om voortdurend te bidden. Let wel: Jezus zegt niet: 'als je in de put zit dan helpt het om te bidden. Even bidden en je bent er weer bovenop'. Nee, hij zegt: tegen het gevoel, dat hele geloofegt me niks, ik zie er niets van, daartegen helpt het om voortdurend te bidden. Dag en nacht, dat wil zeggen: tweemaal daags, met een regelmaat van het ochtendgebed en het avondgebed in de tempel.

Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Bidden is het voorleggen van je diepste wensen aan God. Het is contact zoeken met de kern van je ziel en dat bij God brengen. Het is een vorm van communicatie van jou met God, het opzoeken van God. En wie dat doet, blijft verbonden met God. De onderstroom in je ziel vloeit . Het is als het vuur dat altijd brandend moet blijven op het altaar. God heeft het ooit ontstoken en nu mag het nooit meer uitgaan. Zo is het ook met jou. Eens ontstak God een vuur in je - een groot vuur, een klein vlammetje dat maakt niet uit, een vuur dat niet mag doven. Eens werd je gedoopt. En dat voed je door te bidden - dan geeft het niet zo wat voor woorden je zegt, de gebeden van de meeste mensen zijn onsamenhangend, meer wat gepraat dan duidelijke woorden, maar dat is het belangrijkste niet: je zoekt God in je gebed. Blijf bidden dan blijft dat onderhouden, dan blijf je bij hem. Hij in jou, en jij in hem.

Toch is bidden ook lastig. Ik merk dat ook bij mezelf. Als ik op huisbezoek ga bid ik bijna altijd. Bij zieke mensen bid ik om genezing. Ik weet: dat is zijn wens en het is mijn wens en we verlangen het, dan kan je het toch voorleggen aan God. Heer, help. Barmhartige God, genees.  Helpt het bidden? Ik heb het idee dat God en mens niet los van elkaar staan. Dat als wij iets voorleggen aan God, dat dat iets op gang brengt bij hem.

Maar tegelijkertijd merk ik dat ik in mijn eigen gebed veel terughoudender ben. In algemene termen bid ik wel voor wie mij lief zijn. En ik heb ook wel om genezing gebeden voor wie mij lief waren. Maar om echt voor jezelf te bidden. Voor waar ik naar verlang of voor waar ik meen recht op te hebben. Ik vind dat al snel een beetje gezeur. Dan voel ik me een jengelend kind. Ergens schaam ik me daar voor. 

Jezus vertelt een verhaal over het bidden.onrechtvaardige rechter en weduwe Lukas 18

Het gaat over een rechter. Bij de rechter komt een vrouw die maar blijft klagen. Ze wil haar recht halen. Maar bij deze rechter is ze aan het verkeerde adres. Dit is een rechter die zich van God noch gebod iets aantrekt. Waarschijnlijk wel van een stevige steekpenning, recht is te koop bij hem. En dan komt daar de weduwe. Zij beroept zich op haar recht tegenover iemand die niets om recht geeft. Zij heeft geen steekpenningen. Ze behoort niet tot zijn coterietje. Ze heeft geen man die het voor haar op kan nemen. Deze onrechtvaardige rechter is haar enige kans. Steeds opnieuw gaat ze naar hem toe en vraagt ze hem om haar zaak te behandelen en ook al maakt de rechter helemaal geen aanstalten om wat dan ook te gaan doen, ze komt steeds bij hem terug.

Dan gaat de rechter nadenken. Hij maakt een rekensommetje. De vrouw irriteert hem met haar geklaag. Hij ziet de vrouw steeds maar terugkomen en hij merkt: dat begint op te vallen in de stad. ‘Straks vliegt ze me nog aan en begint ze me op mijn gezicht te slaan’. Hij zal haar dan met een ferme mep van zich afslaan, daar niet van, maar hij weet ook dat iedereen in het stadje daar nog dagenlang van smullen zal. Zo’n gezichtsverlies wil hij niet. OK, vooruit: ‘Mevrouw,wat had u het over?’ ‘U heeft heeft gelijk. Hamerslag. Volgende zaak.’ Zo is hij van haar af.

En dan zegt Jezus: als zo’n onrechtvaardige rechter uiteindelijk luistert naar iemand die voortdurend bij hem komt, wat zal God, die tenslotte een rechtvaardig rechter is, dan wel niet doen met mensen die voortdurend bij hem komen? Dan kan het niet anders of hij zal naar hen luisteren en doen wat ze vragen.

Geloof ik dat?

Het is een verhaal dat vooral iets over God vertelt en over ons geloof. Het vertelt dat geloven niet alleen iets is van: God is in de hemel en wij zijn op aarde. Wij bidden en God doet al of niet dingen. Het verhaal vertelt over de verbondenheid tussen hemel en aarde. Het vertelt dat er communicatie is tussen aarde en hemel. Ons bidden heeft effect op God, verandert God, geeft hem een zetje. Wat wij doen maakt uit. Het verhaal zegt tegen een gevoel van hopeloosheid: jij kan iets doen. Het zegt niet: 'jij moet het doen, het hangt van jou af, de wereld ligt op je schouders'. Het zegt: realiseer je dat als je je onmachtig voelt, dat je iets doen kunt en dat dat belangrijk is. Je gebed is belangrijk, je geloof is belangrijk (vs. 8). Paulus zal er aan toevoegen: je kan goede dingen doen, niet om de wereld helemaal te veranderen, doophemdmaar omdat ook dat je mee laat werken met God. Dat geeft je moed. Dat werpt je terug op jouw verantwoordelijkheid, dat haalt je uit je moedeloosheid en haalt je door de tijd dat je wacht op God.

God en mens zijn verbonden. Daar begint ons leven mee. Dat drukken we vandaag ook uit in de doop van Hessel Simon. We verbinden hem met God. We brengen hem bij God. Zodat God in zijn leven kan komen. Maar ook: zodat zijn leven in God kan komen. Zodat wat hij doet en bidt, wat hij bidt en werkt, mee werkt met God en in Gods liefde. 

Lucas 18:1-8, Leviticus 6:1-6, 2 Thessolonicenzen 3:13 Heerenveen, 17 oktober 2010