Brood voor je ziel en je leven
Naar Preekarchief

Naar Homepage

Naar Weblog
wonderbare spijziging Eularia Clarke
Ik probeer me wat in te leven in de mensen die naar Jezus komen luisteren.  Soms komen ze van een grote afstand. En ze blijven dagenlang bij hem om te luisteren. Misschien geven ze het niet zo toe als je er naar vraagt, ‘ach ik ben wel benieuwd wat die man te zeggen heeft’ Maar wie dagen loopt en dagen blijft luisteren, die is wel degelijk gegrepen, die komt om zich vol te zuigen en aan zijn lippen te hangen, die heeft honger naar de woorden van Jezus. Soms heb je honger naar woorden:  je gaat op het puntje van je stoel zitten, en je zou elk woord wel zou willen opdrinken van wat iemand zegt. Omdat het je helderheid verschaft, omdat het de woorden en de emotie is die je troost.en verzoent.

Ik kan me voorstellen dat mensen daar vooral voor zichzelf gekomen zijn. Voor hun eigen honger. Niet voor die van de buurvrouw, niet voor die van anderen. Niet omdat je dat niet zou kunnen schelen, maar omdat je zo op weg gegaan bent: alleen, of misschien met een paar anderen uit je dorp.

Er verstrijken drie dagen. Wat je meegebracht hebt is op. Je maag is leeg, en je hebt nog een flink stuk lopen voor de boeg, misschien wel een paar dagen. En dan gebeurt het dat Jezus een maaltijd voor je aanricht. Niet alleen je geestelijke honger wordt gestild door de woorden van Jezus, maar ook de honger van je knorrende maag door het brood en de vis die worden rondgedeeld.

Maar bij die maaltijd gebeurt meer dan dat je eten in je maag krijgt. Met elkaar aan tafel gaan is een teken van verbondenheid. Dat is ook bij een gewone maaltijd thuis zo. Je nodigt vrienden bij je thuis uit om te komen eten. Je praat, je eet en met elkaar en je hebt het goed. Samen eten kan ook een stap zijn naar grotere verbondenheid: de eerste keer dat een jongen bij zijn a.s. schoonouders gaat eten is een belangrijk moment: het is een teken van opgenomen worden in de familie. Als je samen aan tafel zit, kan er geen vijandschap zijn. Vlak voor Pasen aten we met een groep mensen van de Raad van Kerken met een aantal jonge mannen en vrouwen van de Turkse moskee: praten, lachen, eten. Aan tafel heerst ook een vorm van gelijkheid. Er is een verbondenheid, waarbij verschillen de gewone scheidslijnen vervagen.

Jezus gaat ontzettend veel aan tafel in het evangelie. Natuurlijk: hij spreekt woorden, hij geneest mensen, maar daarnaast gaat hij steeds met heel verschillende mensen aan tafel. Hij eet met Zacheus de tollenaar, hij eet met Farizeeën, met Martha en Maria. En op de avond voor zijn dood gebruikt hij met zijn discipelen de maaltijd. Want aan tafel wordt zichtbaar alles wat hij verkondigt en waar hij voor staat. Aan tafel gaan is verzoening en vergeving in de praktijk. Het is verbinding van mensen die elkaar niet in de ogen zagen, van mensen die nooit met elkaar aan tafel gingen of waarmee je niet aan tafel zou moeten willen gaan: het is aanvaarding en de opbouw van vreugde en vrede. Want dat is wat er gebeurt aan de tafel van Jezus: arm, rijk, man, vrouw, kind, netjes gelovig, minder netjes gelovig samen delen ze de maaltijd en zo ontstaan er nieuwe verbanden, waar aanvaarding en vergeving centraal staan.

De mensen waren gekomen om woorden van Jezus te horen. Maar eenmaal bij Jezus aangekomen worden ze met elkaar aan tafel gezet. En als ze daat zitten, blijkt dit ook het voedsel voor hun ziel te zijn, waarnaar ze zochten. Ze hebben niet alleen hun spirituele honger gestild, niet alleen een boodschap gehoord van vergeving en opening naar God en de medemens, maar ze hebben het ook voor een moment mogen ervaren. Ze hebben er voor een moment deel aan gekregen, tijdens die maaltijd van verzoening en van de wonderbaarlijke overvloed van God, omdat het brood niet opraakt, eindeloos doorgaat er nog zeven korven overblijven, genoeg om nog veel meer mensen te voeden. Zo wordt het een gebeuren dat de honger van hun maag stilt, hen weghaalt bij de dood door honger of uitputting, en hen tegelijkertijd als mensen van Gods tafelgemeenschap, als nieuwe mensen op weg doet gaan naar hun huizen

Zo gaat het met een mens die op zoek gaat. Je startpunt is je eigen situatie. Je eigen verdriet waarin je terecht bent gekomen of je eigen honger naar levensvulling. Dat laat jou je huis verlaten en op weg gaan. Je verdiept je in het christelijk geloof, misschien door een boek te lezen over iemand die je heel erg aanspreekt, misschien door een Alpha-cursus of door hier regelmatig binnen te komen op zondagmorgen. En je merkt dat het je goed doet. Dat het iets aanspreekt in je, dat er iets opengaat in je hart.

Misschien is het eerste woord dat je aanspreekt dat God je aanvaard heeft. En dat helpt je om voor het eerst je zelf te aanvaarden. Misschien zijn het de oprechte wijze woorden over leven met geduld en dankbaarheid, die je voor het eerst in je leven over je boosheid heen helpen. Die je laten zien dat al je opstandige gedrag, al je gescheld en gemor en gedachten van ‘ze pakken me weer’ dat die nergens toe leiden. Maar dat de vreugde en dankbaarheid je hart doen openbloeien.

Maar het gekke is: daarna komt er een tweede fase. Een fase dat je merkt dat de woorden van God niet alleen iets doen voor jou, maar dat die ook betekenis hebben voor de omgang met anderen. Dat jouw hoogstindividuele zeer persoonlijke zoektocht naar balsem voor je ziel ook jouw omgang met anderen gaat bepalen. Je merkt dat aanvaarding omvattender is dan alleen dat je jezelf aanvaardt. Je merkt dat als dat echt tot je doordringt dat je dan niet alleen jezelf aanvaard maar ook een ander. Je kunt hen ook vergeven. Je merkt dat de vreugde en de dankbaarheid die je gevonden hebt in je leven, dat je dat ook anders met je collega’s en je ouders doet omgaan. Dat daar niet woede meer overheerst. Maar dat je kan omschakelen op de dingen die jou met anderen binden en op humor, zelfs in dagen van conflicten.

Christus geeft voedsel aan je ziel en doet je zo leven. Hij geeft ook voedsel aan je lichaam. Dat kan soms heel letterlijk zijn: voedsel dat er voor zorgt dat je niet bezwijkt. Maar wat hij vooral met jou doet is dat hij jou een nieuwe plaats geeft onder de mensen. Een plek waar je met vreugde en wijsheid kan leven, in heel die moeilijke omgang met anderen.

Als je ziet wat het voedsel van Christus met je geest en je lichaam doet, dan begrijp je ook waarom Christus over zichzelf en over zijn eigen lichaam kon spreken als over brood, over voedsel. Want niet alleen door zijn woorden opende hij ons voor God en voor elkaar, ook door wat hij deed, wat hij uitstraalde en vorm gaf bracht hij de wereld van God in ons leven. Amen

Lezing: Marcus 8:1-21 Heerenveen, 23 augustus 2009