'Wij zijn één grote familie'
Naar Homepage

Naar Preekarchief

Naar Weblog

Marcus 3 : 20-35

Jitske Eizema werd onlangs in de Provinciale Staten van Fryslân gekozen voor de PVV. Met voorkeursstemmen. Haar kersverse fractiegenoten waren daar niet zo blij mee. Ze vroegen haar meteen op dwingende toon om haar zetel op te geven. Dat doet ze niet en nu klaagt ze er over dat de overige fractieleden haar dwars zitten en pesten. Ik kan het conflict niet goed overzien, maar ik moest erg lachen om het commentaar van de fractievoorzitter van de PVV in Fryslân.  Inhoudelijk wilde hij niet zoveel zeggen over het conflict, maar hij wilde wel kwijt: ‘Bij de PVV zijn we één grote familie’.

Ik denk dat hij gelijk heeft. Sommige organisaties lijken net op een familie. Maar dan vooral op een familie die niet goed functioneert. Een familie met pesterijen, met veel onenigheid, met ruzies en vetes. Zaken die er hard in hakken, juist omdat je familie bent.

Want een familie moet een veilige plek zijn. Een plek waar je gesteund wordt door je ouders. Waar je je plek leert innemen ten opzichte van een broer of een zus. Ruimte voor hen – en ook voor jou. Dat gaat niet altijd lief, dat gaat niet zonder slag of stoot – de bijbel staat vol met verhalen over broers en zussen die ruzie maken en u kent die verhalen uit uw eigen leven, maar uiteindelijk wil je hier naar toe: dat er vormen van elkaar vasthouden zijn, vormen van verzoening, misschien zelfs van liefde. En hoe hard is het als dat niet lukt. Hoe hard is het als het thuis geen veilige plek is. Als je thuis gepest wordt. Of als je zelfs misbruikt wordt door iemand die je vertrouwde. Je dacht dat familie veilig en vertrouwd was en dan blijkt het niet zo te zijn. Dan komt alles op losse schroeven te staan. Kan je dan nog iemand vertrouwen, kan je je nog geven aan iemand, is er een plek waar het veilig is?

Als Jezus een tijdje optreedt grijpt zijn familie in. Wat Jezus doet kan niet. De dingen die hij zegt, de geesten die hij uitdrijft. Zoiets doe je niet. Wat Jezus doet straalt af op de rest van de familie. ‘Mooi neefje hebben jullie, moet je eens kijken wat hij doet, heeft hij soms zijn verstand verloren’. (Misschien voelen ze zich ook wel verantwoordelijk, willen ze hem tegen zichzelf beschermen: ‘straks pakken ze hem nog op’.) En dus grijpt de familieclan in. Ze komen om Jezus op te halen. Een soort gedwongen opname willen ze. Ze willen hem meenemen, zodat dat rare gedoe voorbij is.

Op dat voor Jezus kwetsbare moment komen de Schriftgeleerden er overheen met een forste beschuldiging. Alsof ze het aanvoelen. Hup, er overheen. ‘Zijn verstand verloren, zijn verstand verloren, mensen, weet je waarom hij boze geesten kan uitdrijven? Omdat hij zelf bezeten is door een nog veel machtigere boze geest.’ ‘Mensen, dit lijkt prachtig, mensen die genezen worden, maar eigenlijk hebben we te maken met zwarte magie. Hij heeft satanische krachten.’

Hoe blijf je overeind in zo’n crisissituatie. Je familie keert je tegen je. ‘Hij heeft zijn verstand verloren’. ’Hij is bezeten’ roepen anderen. Zo werkt disciplinering, als je iets doet wat net even anders is, wat buiten het patroon van verwachtingen valt. Harde, op de persoon gespeelde aanvallen. En hoe blijf je zelf daaronder? Als je in de steek wordt gelaten en ook nog eens in het openbaar verdacht gemaakt wordt.

Ik zou zelf ontzettend boos worden. ‘Wat denken die mensen wel niet’. Ik zou ontploffen. Of toch ook bang zijn. Omdat ergens de grond onder je voeten word weggetrokken. Je vertrouwt er op dat mensen op een normale manier reageren – en plotseling doen ze dat meer – dat schept angst. Wat zullen ze de volgende keer wel niet doen? Waar kan je kan nog op vertrouwen.

Jezus pareert de aanval door eerst maar eens te laten zien dat het onzin is wat de Schriftgeleerden zeggen. ’Jongens, dat kan toch niet, dat zien jullie toch zelf ook wel. Satan die boze geesten uitdrijft. Dan blijft er toch niets over van Satan. Dan ondergraaft hij toch zijn eigen macht. Dat doet de duivel toch niet. Hij kijkt wel uit.’ Net zo als het bestuur van een corrupte voetbalbond, niet zelf de corruptie gaat uitdrijven. Ze leven van corruptie, ze hebben hun macht gebouwd op corruptie, als ze dan zelf corruptie zouden bestrijden, stort hun hele machtsbolwerk in elkaar.

Nee, zegt Jezus, wat ik doe is niet het werk van de duivel. ‘Mensen genezen, mensen zicht geven op een heilig en heel leven, mensen bij God brengen. Dat is niet het werk van de duivel, dat is het werk van God.’

Ik vind dat zo knap. Waar ieder ander zou vluchten in alleen maar woede en angst blijft Jezus heel dicht bij wat hem ten diepste beweegt. Hij houdt contact met zichzelf en met de bodem van waaruit hij werkt en leeft. ‘Waar ik mee bezig ben is het werk van God’. Als je aangevallen wordt: niet vluchten in alleen maar woede, niet in een hoekje kruipen van bangheid en angst, maar blijven bij wat je ten diepste drijft. En dan je eigen woorden spreken: jongens, het is gewoon niet waar wat jullie zeggen.

Kunt u dat? Ik bedoel niet dat u dat zou moeten kunnen, want dat is heel knap als u dat lukt. Maar ik wens het u toe, ik wens het mezelf toe. Dat de bron van ons leven, waar we ten diepste uit leven, dat we daar ook uit kunnen putten als we aangevallen worden. Dat het dan ons helpt om onze eigen koers te varen, de koers waarvan we weten: dit is goed.

‘En weten jullie wel wat je doet?’ Jullie zien dat mensen genezen worden – en je noemt het satanisch. Beseffen jullie wel hoe ernstig dat is. Hoe je daarmee tegen iets moois en kostbaars zegt dat het eigenlijk slecht en verwerpelijk is. ‘Hier is God aan het werk en jullie zeggen dat het verkeerd is. Hebben jullie wel in de gaten, niet alleen hoe, hoe, hoe godslasterlijk dat is, als je de dingen omdraait en het goede, mooie van God als iets slechts benoemt?’

En dan komt zijn familie om hem te halen. Daar staan ze, de clan, moeder, broers. ‘Meekomen. Je hoort bij ons. We zijn één grote familie’.

En hoe houd je je dan staande? Tegen de druk van je eigen familie kan je vaak moeilijk op. Jezus lost dat op door steun te zoeken bij anderen. Tegen de druk en de eisen van zijn familie, zoekt hij een andere kring op. De mensen om hem heen. De mensen die de wil van God doen. Jullie zijn mijn moeder: jullie voeden mij en geven mij veiligheid. Jullie zijn mijn broeders, jullie staan voor me in, jullie komen voor me op, met jullie trek ik op door het leven. Een mens kan niet alleen leven, de bijbel zegt niet: wees een individu dat geheel onafhankelijk in het leven staat. Maar: zoek een kring op waar je veilig bent en tot je recht komt.

Het is waardevol als je een goede familie hebt. Dat moet je koesteren, daar moet je zuinig op zijn. En als er wat is – en dat is altijd zo -: probeer het goed te maken, probeer er uit te komen. Probeer elkaar te verdragen.

Soms kan deze gemeente een goede familie zijn. Reisgenoten voor het leven geven. Veiligheid en steun bieden. En soms verzucht je wel eens: ‘het is net één grote familie’, maar ook dan: houd het uit, verdraag elkaar, probeer er uit te komen, probeer te groeien aan elkaar.

Maar bovenal blijf altijd bij je bron. Hij voedt je met zijn eigen lichaam, zoals een moeder dat doet. Hij staat voor je in, zoals een broer dat doet.