Pasen is herstel
Naar Homepage

Naar Preekarchief

Naar Weblog

Het is ochtend en nog donker. Maria zoekt haar weg naar de tuin, naar het graf waar Jezus begraven ligt. In het donker is alles vol schaduwen en onduidelijk. Maar dit kan ze wel zien: dat de steen van het graf is weggenomen en het snijdt door haar hart

Bij het verdriet over de dood van Jezus komt ook nog eens dit verdriet: dat ze hem hebben meegenomen. Dat ze een dood lichaam uit zijn graf gestolen hebben. Zelfs dit laten ze niet voor haar achter. Ze rent naar Simon Petrus: ze hebben mijn Heer weggenomen. Hij is weg.

De afgelopen eeuw is vaak gezegd dat Pasen het nieuwe brengt. Een nieuw leven, een nieuwe tijd. Pasen werd gevierd als een radicale vernieuwing en daarmee ook als een afscheid van wat oud, traditioneel en daarom dood was.

Dat sluit aan bij een tijdgeest waarin heel veel verwacht werd van het nieuwe. Wat nieuw is, is goed en heeft de toekomst. Je had het nieuwe bouwen, met strakke betonnen gevels, waar talloze oude huisjes voor gesloopt werden. Er werd gesproken over een nieuwe tijd. Alleen met moderne kunst aan de muur telde je mee. En ook in onze dagen roept de reclame ons steeds: nieuw, nieuw, nieuw toe en wordt er vooral gekeken reparatienaar wat jong en hip is

We kopen nieuwe kleren, in plaats van dat we de oude repareren.
Alleen met nieuwe ideeën zijn we tevreden.
We willen creaties, geen reparaties.

Oudere samenlevingen waren veel meer gericht op herstel. Het was al heel wat als je het dak kon repareren of een vervallen muur kon herstellen. Voor sloop en nieuwbouw was nooit geld. En ook in de politiek werd nooit gedroomd van ‘nieuwe politiek’, maar alleen van herstel van oude glorie.

Ik vind ‘herstel’ eigenlijk wel iets heel moois. Als je iets herstelt: een oude rok, een oud kinderfietsje, heb je iets in je handen dat kapot gegaan is. Dat bepaalt je bij de kwetsbaarheid ervan: je weet het kan kapot en het kan ook opnieuw kapot gaan. Zo zie je ook onder ogen dat jijzelf kwetsbaar bent en stuk kan gaan. Je ziet je eigen sterfelijkheid onder ogen en je leert er mee omgaan.
Als je alleen kijkt naar het nieuwe, ga je voorbij aan het vergankelijke. Het is alsof dood en ondergang niet bestaan: je richt je steeds op iets nieuws en dan weer op nog iets nieuws, het oude gooi je weg. Het oude kan per definitie niet waardevol zijn, het echte leven ligt alleen in de toekomst.

De opstanding van Jezus is niet de komst van iets heel nieuws. Het is herstel. God heelt en herstelt de wonden van Jezus. Hij herstelt hem in zijn lichaam en hij herstelt hem ook in zijn recht. Hij maakt heel wat er kapot gemaakt is in de dagen van geseling en kruisiging en verraad. Opstanding is herstel.

Ik merk dat 'herstel' iets heel anders oproept dan vernieuwing. Herstel roept een gevoel van heling in me op: er komt iets tot rust in mij. Een wond wordt met liefde verbonden. Ik adem op en er bloeit iets in mij open. Er gebeurt iets dat  te maken heeft met mijn leven, zoals ik dat nu leid, met wie ik ben met al mijn lichamelijke verval en stommiteiten. Het woord 'nieuw' voelt veel meer als iets is dat buiten me ligt. Ik kan er alleen mijn armen naar uitstrekken, maar het komt niet in mij. Misschien wel nooit.

Bij Jezus is genezen ook altijd een herstel. De dove krijgt zijn gehoor terug. Hij was het verloren, maar hij krijgt het terug. De blinde krijgt zijn gezichtsvermogen terug. Hij krijgt niet een implantaat met telescopische superogen waarmee hij honderden meters verderop de krant kan lezen. Hij wordt simpelweg hersteld in wat hij verloren heeft, het vermogen om rond te kijken en God en mensen te zien. Wat verloren is gegaan wordt gevonden.

Het wonder van Pasen is niet dat er een heel nieuwe, geweldige mens te voorschijn komt. Het wonder van Pasen is dat in het nachtelijke licht God een gedood en gemarteld mens heeft verzorgd, verbonden en geheeld. Hij heeft zijn lichaam in zijn armen genomen en deze dode jongen naar het leven gekust.

Zo wekt God Jezus op. Hij herstelt de liefdevolle mens die Jezus was, ja meer, hij laat hem zien aan hemel en aarde dat dit de mens is die hij ooit bedoelde toen hij begon. Dit is de mens die hem voor ogen stond, die hij schiep naar zijn beeld. Dit is mijn genezing, dit is mijn herstel zegt God en zo herstel ik voortaan ieder mens en heel mijn schepping.

In uw leven komt niet een gehele nieuwe jij tevoorschijn, als een total make-over. Maar jij wordt genezen, jouw wonden worden verbonden. God buigt zich ook over jou en de mens die je was geneest. Dat is geen wegvlakking van je verleden, maar een liefdevolle omgang ermee: de mens die jij bent wordt hersteld en zo tot leven gewekt. Wat vrat aan je, wat jou zo in je greep had, wordt weggedaan, zodat je kan opademen en kan zeggen: ik leef. Nu weet ik pas wat leven is. Wat een goddelijke gave mijn leven is en dat ik daar goed en zorgvuldig mee moet omgaan. Want ik was dood en ik ben levend geworden.

Pasen is herstel. Herstel is het juiste woord in een wereld die behoefte heeft aan hergebruik en een duurzame omgang met wat we hebben. Die niet steeds het oude op een groeiende berg afval wil bijzetten en de grondstoffen er doorheen jaagt.

‘Zij hebben mijn Heer weggenomen’. Ook als Maria van Magdala weer teruggaat naar het graf blijft zij die woorden snikkend herhalen. ‘Zij hebben hem weggenomen, hij is verloren, zelfs zijn dode lichaam is voor mij verloren’.

Maar als zij zich omdraait uit het graf ziet zij de opgestane Heer. Hij wordt aan haar teruggegeven. En achter hem ziet ze heel de tuin van deze aarde oplichten in het licht en de glans van zijn opstanding.

Johannes 20:1-20 Heerenveen, Eerste Paasdag 4 april 2010