Geef aan God wat van God is
Naar Preekarchief

Naar Homepage

Naar Weblog
In Nederland heeft de overheid heel weinig te zeggen over de kerk: wat hier gepreekt wordt op een zondag, hoe wij de boel hier organiseren. En ook omgekeerd laat de overheid zich niet de wet voorschrijven door wat de Raad van Kerken of moslimorganisaties voorstellen.
Die scheiding tussen kerk en staat is in Nederland nog niet zo heel oud. Nog tot diep in de 19e eeuw waren kerk en staat innig met elkaar verknoopt. Ds. Scholte ondervond dat ook. Samen met ds. De Cock uit Ulrum, preekte hij zeer fel tegen de kerk en tegen de theologie van zijn dagen en er ontstond een beweging waaruit later de Gereformeerde Kerken zijn ontstaan. Ds. Scholte werd voor zijn felle preken geschorst door de Hervormde kerk, maar niet alleen de kerk trad tegen hem op. Ook de overheid kwam in het geweer en ds. Scholte werd een korte tijd gevangen gezet. In Nederland kon je in die tijd niet alles zeggen en zeker niet alles preken

In Amerika was dat anders. Het land was mede gesticht door de Pilgrim Fathers, rechtzinnig protestantse vluchtelingen uit Engeland. Zij waren in Engeland vervolgd geweest vanwege hun geloof en dat mocht in het nieuwe Amerika nooit meer gebeuren. Zij zorgden er voor dat de overheid nooit meer bemoeienis zou krijgen met kerkelijke zaken.
Toen ds. Scholte uit de gevangenis kwam - en toen hij bovendien met bijna iedereen in Nederland ook nog eens ruzie kreeg, ook in eigen kring, want het was een ontzettende ruziezoeker - vatte hij het plan op om naar Amerika te emigreren. Daar was vrijheid, daar waren kerk en staat helemaal gescheiden. En zo gebeurde het dat ds. Scholte samen met enige honderden gemeenteleden naar het Midden-Westen van de Verenigde Staten emigreerde en daar een nieuw bestaan opbouwden. Hun tocht en ook dat van verwante predikanten vormden de basis voor de gereformeerde emigratie naar de VS, ook toen dat niet meer om godsdienstige redenen ging, maar vooral om brood op de plank.

Men zegt wel dat die scheiding tussen kerk en staat op Jezus zelf teruggaat. Want als Jezus gevraagd wordt of hij belasting aan de keizer van Rome wil betalen, dan geeft hij een antwoord dat nieuw is en waar de mensen dan ook zeer verbaasd over zijn. De mensen van zijn tijd kunnen zich op die vraag, maar twee antwoorden voorstellen. Namelijk ‘nee’, je betaalt geen belasting aan de keizer van Rome, en had Jezus dat geantwoord dan had ook hij  in de gevangenis gegooid kunnen worden als een oproerkraaier. Ik denk dat de Farizeeën daar het meeste op gehoopt hebben. Maar ze konden zich ook nog wel voorstellen dat hij ‘ja’ zou zeggen en dan was hij niet in de gevangenis beland, maar hij had dan wel wat uit te leggen gehad of hij wel een goede volgeling van de God van Israël was, dat je zomaar geld aan de heidense Romeinen geeft. In hun voorstelling doe je of het één of het ander.

In plaats daarvan zegt hij: je moet de keizer geven wat van de keizer is en tegelijkertijd moet je ook iets aan God geven. Aan de keizer moet je geld geven. Jezus laat hen een belastingmunt pakken en wijst hen op de afbeelding van de keizer die daar op staat en de naam van de keizer die er op gegraveerd staat. Dat hoort bij de keizer, dat moet je aan hem geven. Dat is niet verkeerd, het hoeft ook niet heel erg goed te zijn, het gaat er om dat is zijn gebied. Maar aan God moet je geven wat van God is. Daar komt het op aan. Dat is veel belangrijker.

En wat moet je dan aan God geven? Ik denk dat je jezelf aan God moet geven. De keizer heeft zijn beeltenis op munten laten drukken, maar God heeft zijn beeltenis op ons gedrukt. De keizer heeft zijn naam op munten geschreven, maar God heeft zijn naam in ons hart geschreven. Aan de keizer moet je geven wat van hem is. Ok. Maar geef aan God wat van God is. Geef jezelf aan God. Want wij horen bij God, op hem zijn wij toegelegd,

Jezus zegt:. Leef jij het leven van God, concentreer je daarop. Doe de dingen die God van je vraagt. Dat is het allerbelangrijkste. Daar ligt het zwaartepunt in je leven. Al die andere dingen zijn er ook. Belasting betalen, ja dat is er ook, dat moet ook gebeuren. Gewoon doen, er worden misschien lang niet altijd goede dingen mee gedaan, maar niet zeuren, gewoon doen en je concentreren op de echt belangrijke dingen in je leven.

Veel van de tijdgenoten van Jezus hebben zich uiteindelijk blindgestaard op hun haat tegen de Romeinen. Die waren schandalig, heidens, bezetters, onderdrukkers. En voor een deel was dat ook zeker zo.

Maar Jezus is nooit mee gegaan in die anti-houding. Omdat het energieverlies is, het houdt je af van de dingen die werkelijk van belang zijn. Het richt je leven, je voelen en je denken te veel op waar je tegen bent. Het stimuleert alleen de boosheid in jezelf en niet de liefde. Richt je op God, want je bent naar zijn beeld gemaakt.

De psychiater Keilson schreef het boek ‘In de ban van de tegenstander’. Het gaat over een man die in de Tweede Wereldoorlog gevangen heeft gezeten en die jaren later nog steeds alleen maar bezig is met de Duitse officier die hij daar ontmoette. Met hem voert hij in zijn verbeelding steeds gesprekken, waarin hij zijn eigen gelijk wil aantonen. Na veel moeite kan hij dat loslaten.  Pas op dat moment kan hij werkelijk zijn eigen leven leiden.
Genezing is: je eigen dingen doen, niet meer bepaald worden door de verhoudingen en de pijn van vroeger. Door waar je afscheid van genomen hebt. Genezing is: je niet laten bepalen door de tegenstander, maar je eigen weg kiezen. Jij bent een kind van God, je gaat je eigen soevereine gang. Ook gewoon bij een ruzie: je niet laten overhalen om scheldpartijen met gelijke munt te beantwoorden, maar je eigen lijn trekken.

God en de keizer zijn verschillende zaken. Vanuit dat inzicht heeft zich in het Westen het besef ontwikkeld dat overheid en godsdienst twee verschillende zaken zijn. Maar Jezus heeft er denk ik veel meer mee bedoeld dan een lesje staatsinrichting. Hij heeft er mee bedoeld dat je je in je leven op de meest belangrijke zaken moet richten. Je moet je niet laten mee sleuren in haat tegen tegenstanders, maar je moet je ook niet laten meesleuren in een al te grote aanhankelijkheid aan menselijke organisaties als een bedrijf, een politieke partij, een vakbond. Het is niet verkeerd om van je bedrijf te houden, maar weet dat ook te relativeren, houd je ogen gericht op God.

De Amerikanen zijn individualisten. Maar je zou hun individualisme verkeerd begrijpen als je het ziet als een ‘ik doe waar ik zelf zin in heb’. In de kern wil het zijn: ik wil me richten op God en daar wil ik zelf vorm aan geven. In andere zaken hoef ik niet mijn energie te steken. Naar dat land trokken de Pilgrimfathers en trokken de Gereformeerden van ds. Scholten.

Mattheus 22:15-22 en Romeinen 13 Heerenveen, 5 juli 2009