Je kleding laat zien wie je bent
Naar Homepage

Naar Preekarchief

Naar Weblog

Exodus 28: 1-8 en 31-35 en Marcus 1: 12-13 Hoofddorp 22 februari 2015 Eerste zondag Veertigdagentijd 

hogepriesterEr komt een moment in je leven dat je vraagt: ‘wie ben ik’. Als je vijftien of als je twintig bent: wie ben ik, wat ga ik doen in mijn leven. Wat past bij mij, wat wil ik allemaal uitproberen. Later stel je die vraag misschien ook wel met een zekere wanhoop in je stem: ben ik dit werkelijk, ben ik echt deze man die steeds weer wegloopt uit een relatie? En wil ik zo  blijven? ‘Wie ben ik’, die vraag, is op een of andere manier ook altijd verbonden met ‘wie wil ik worden’. Wie je bent is niet voor eens en altijd afgebakend. Daar zit beweging in. Soms grote beweging. Sommige dingen van je karakter liggen vast. Maar iemand zei ooit: ‘als je een beter mens wilt worden, doe dan net alsof je het al bent’. Oefen er voor, doe alsof, fake it.

Je kleding laat zien wie je bent. Als je bij een bank werkt dan heb je een mantelpakje aan of een pak. Dat geeft vertrouwen bij de klanten: deze mensen nemen zichzelf serieus, ze nemen mijn zaak serieus. Als je klant bent en er zit iemand tegenover je zit met een gat in zijn broek, dan denk je: o, die zal ook wel niet netjes met mijn geld omgaan. Maar het geldt ook voor jou in je pak of je mantelpakje. Je trekt dat mantelpakje aan, je maakt je ogen op en nu weet je: 'nu ben ik niet meer de moeder die net nog twee krijsende kinderen gekalmeerd heeft en de pap van het behang geveegd heeft: nu ben ik de hypotheekadviseur. Ik ben in control, dit gaat me lukken. Het bedrijf kan op me vertrouwen, de klanten kunnen op me vertrouwen'.

Natuurlijk is een net pak niet de garantie voor goed gedrag. We spreken niet voor niets over ‘witteboorden’-criminaliteit. Dan gaat het om de criminaliteit van mensen met van die nette overhemden en nette pakken. En toch kan je niet alleen maar zeggen: kleding doet er niet toe, het gaat alleen maar om de binnenkant. Uiteindelijk gaat het om de binnenkant van een mens – en om wat die binnenkant van een mens dan weer doet met de wereld buiten. Maar er is een wisselwerking tussen buitenkant en buitenkant.

Ik heb ooit op vakantie gefietst door Frankrijk. Na een halve dag fietsen kom je dan bezweet aan bij een stadje. Hé, een mooie grote kerk. Fiets tegen de kerkmuur. Ik loop naar binnen. Ik knipper even met mijn ogen en dan sta ik plotseling in een heel andere sfeer. Niet meer in een zomers zonnebloemenlandschap, maar in een ruimte waar alles verstilling ademt. Alles verwijst naar God. De hoge pilaren, de schilderingen, de gewijde sfeer. Maakt me dat plotseling tot een gewijd en goed iemand, nee, maar de ruimte werkt op me in, doet me open gaan voor God. Alles spreekt in die kerk van God en daarom word ik aangesproken. De hele kerk roept me aan om een relatie met God aan te gaan. Neemt me daar naartoe mee.

De hogepriester die voor God verschijnt heeft prachtige kleren aan, gemaakt van schitterende materialen: gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, fijnlinnen garen, getwijnd linnen garen. Uitvoerig wordt dat beschreven in heel precieze voorschriften. En je denkt: wat doet het er toe. Het maakt echt niet uit of er al of niet belletjes klinken als de priester het heiligdom binnengaat. GMinoisch maskerod wordt er niet minder van, wij mensen worden er niet minder van. Ja. En toch, toch. Al die voorschriften zeggen: het komt er op aan. Het komt er op aan. Als de hogepriester voor God verschijnt in het heiligdom, dan moet er een mens staan die schittert en straalt. Dan moet er een mens op zijn mooist staan. Een mens die eigenlijk nog mooier is dan hij ooit was. Want zo’n mens wil God.

Ach, hoe maakt het uit hoe zo’n er uit ziet. Nou, dan laat ik u een plaatje zien van hoe een hogepriester er ook uit kan zien. Dit is een Picasso met stierenmasker masker dat een hogepriester ooit op Kreta droeg. Hij heeft een stierenmasker op. Deze priester doet alsof hij een minotaurus is, half mens, half stier. In onze tijd heeft dat kunstenaars aangesproken. Hier ziet u een foto van de kunstenaar Picasso met een stierenmasker. Deze hogepriester van de kunst wil dat een mens beseft dat hij in wezen een dier is. Dat hij dierlijke passies heeft en driften. Een mens moet zich laten beknellen, maar zijn ruwe en rauwe aard uitleven. Kijk, hier zie je twee mensen die het voorbeeld van Picasso gevolgd hebben. Ze hebben zo’n vikinghelm op. Zo’n helm met twee koeienhorens of stierenhorens. Hier zijn het twee een beetje malle huisvaders. Waarschijnlijk mannen die voetbalfans met stierenhelmgeen vlieg kwaad toe. En toch: waarom identificeer je jezelf met deze dieren. Waarom wil je je zo laten zien? Waarom drukt dit iets van je identiteit uit?  Nogmaals het gaat allemaal niet om oorzaak en gevolg. Maar een cultuur waarin voetbalfans dit soort beelden van zichzelf hebben: ‘diep van binnen ben ik een echte stier’, die moet niet gek opkijken als die mannen zich dan ook echt als beesten gaan gedragen, zoals deze week in Rome, waar de Feyenoord fans vochten met de politie en vernielend door de binnenstad trokken. Het komt er op aan wat je draagt.

Wie wil je zijn? Wat voor mens wil je zijn? Wie wil je worden? God vraagt een mens om zich prachtig te kleden, om zo ook van binnen prachtig te worden. In de bijbel staat niet alleen het stuk over de hogepriester die prachtige kleren aan moet hebben er staat ook dat God ieder mens bekleedt. Hij bekleedt een mens met gerechtigheid, hij bekleedt een mens met heil. Iemand die ik zeer goed ken kwam 20 jaar geleden in de winkel van de modeontwerpers Victor en Rolf op het Rokin en Victor kwam op haar af – het kan ook Rolf zijn geweest – nam haar van top tot teen op en zei: ‘Ach, mevrouw wat zou ik u eens helemaal willen kleden’. Zo als die modeontwerper is God. Hij komt op de mens af en zegt: ‘wat zou ik jou eens willen kleden. Wat zou ik jou graag het kleed van de gerechtigheid en van de liefde, van het heil en van mijn kracht willen aantrekken. Een kledingstuk dat je aantrekt en in het begin zit het nog wat onwennig, maar na een tijdje wordt het je lievelingskledingstuk.

Johannes draagt een kameelharen mantel. Johannes is de kluizenaar, hij is de man van de woestijn en met zijn mantel van kameelhaar zegt Johannes: net als een kameel hoor ik bij de woestijn, dat is mijn woonplaats, dat is mijn natuurlijke omgeving. Johannes doopt Jezus en meteen als Jezus gedoopt is voert Gods geest hem naar de woestijn en daar in de woestijn moet Jezus een strijd voeren om wie hij eigenlijk is. Hij is gedoopt, maar wat betekent dat. Wie is hij dan? De andere evangeliën vertellen precies hoe Satan Jezus verleidt. De Satan biedt hem daar allerlei vormen van macht aan, als hij maar voor de Satan wil buigen. Bij Marcus hoor je niets over de inhoud van de verzoekingen, maar wordt er wel een omgeving van Jezus geschetst.

Jezus leefde er te midden van de wilde dieren. Dieren die hem bedreigd zullen hebben, maar ook dieren die een spiegel voor hem zijn geweest: wil ik zo worden, zo als deze wilde dieren. Ik woon temidden van hen, ik leef temidden van hen, maar wil ik ook zo worden. Wil ik een wilde stier zijn of een hyena of wat er nog meer leeft aan roofzuchtigs in de woestijn. Of spiegel ik mij aan de engelen. Hemelse wezens, die hier een mens in nood verzorgen? Jezus komt in heel zijn leven niet van die tweestrijd  af. In de hof van Gethsémané, als hij aarzelt of hij de weg naar het kruis wel tot het einde toe moet gaan. En ik denk dat hij ook aan het kruis niet zonder aanvechting is geweest. De woorden van psalm 22 gaan dan door hem heen. Het is de psalm waarin het gaat over een mens die zich door iedereen in de steek gelaten voelt, zelfs door God. ‘Er is niemand die mij helpt’ zo gaat de psalm. ‘Een troep stieren staat om mij heen, roofzuchtige, brullende leeuwen sperren hun muil tegen mij open’. Jezus ziedoophemd geestt daar dat de mensen om hem heen zich als roofdieren gedragen. En de vraag moet bij hem opgekomen zijn. Ben ik wel een goede weg gegaan? Had ik niet net als zij moeten zijn. Dan gaat het leven toch veel makkelijker?

Voor de kinderen vertelde ik over het meisje Eef, dat op het perron staat en twee verschillende stemmen hoort. Welke kant wil ik nou op? Wie wil ik nou zijn? Bij de doophemden die we met een groep mensen uit de gemeente gaan maken gaat het om die vraag. Wie ben ik, wie wil ik zijn als ik gedoopt ben. De doophemden zijn hemden van linnen die je zelf met symbolen van je geloof versiert. Ze herinneren je aan je doop, ze drukken uit wie je bent en wie je wilt zijn. Er is meer te vertellen over de doophemden en dat zal ik nu niet doen, er komt nog een avond over en over een aantal weken zullen we er hier ook nog op terug komen, maar één zaak van het doophemd wil ik vandaag benadrukken: het gaat daarbij ook om identiteit. Om wie ben ik en wie wil ik zijn? Waar wil ik mee bekleed zijn? Wat leg ik op mijn huid? Zo’n doophemd is natuurlijk maar een stukje, het is allemaal maar gefröbel. Ja. Maar ook in dat gefröbel gaat het om de strijd wie ben ik en wie wil ik zijn. Waar identificeer ik me mee. Wat wil ik laten zien in ieder geval aan mezelf, aan God.