(G)een plek
Naar
Homepage


Naar Weblog

Naar
Preekarchief

Het sociaal en cultureel planbureau publiceerde deze week een rapport over de Nederlandse identiteit. Het gaat er over: wie zijn we als Nederlanders, wat bepaalt ons, waar komen we vandaan en waar gaan we naar toe. Bestaat de Nederlander, en waardoor wordt die Nederlander dan gevormd?

Nadenken over identiteit gebeurt ook al eerder. Als de leerlingen van Jezus in een Samaritaans dorp komen, merken ze dat de identiteit van deze Samaritaanse dorpelingen muurvast ligt. Zij zijn Samaritanen, ze hebben hun eigen gewoontes, ze hebben hun eigen heiligdom op de berg Gerizim, alles wat ze zijn ontlenen ze daaraan. En als de Samaritanen horen dat Jezus naar Jeruzalem willen gaan, willen ze hem niet ontvangen. Voor hen is de berg Gerizim de enige waarlijke heilige plek en dat doet hen de ogen sluiten voor de man van God die voorbij komt.

De discipelen zijn woedend en dat kan je je wel voorstellen. Ze voelen dat hun als Jeruzalemgangers onrecht aangedaan wordt. Voor de leerlingen is Jeruzalem een belangrijke stad. Daar ontlenen zij hun identiteit aan. ‘Als je aan Jeruzalem kom, dan kom je aan mij’ of misschien zelfs: ‘dan kom je aan God’. Maar Jezus wil niets van hun woede en straf-dreigementen weten. Want Jezus is zelf niet gekwetst. Hij gaat het conflict met de Samaritanen niet aan. Integendeel, zijn discipelen krijgen ervan langs. Jezus heeft niet zoveel met Jeruzalem. En een volgeling van Jezus vecht er niet over wat de beste heilige plaats is. Misschien kent u het verhaal dat Jezus een Samaritaanse vrouw bij een bron ontmoet en tegen haar zegt: het uur zal komen dat gij noch op de berg Gerizim, noch te Jeruzalem tot God zal bidden.

En dan lijkt het alsof tenminste n van de leerlingen hem begrepen heeft. 'Ik zal u volgen waar u ook naar toe gaat'. Het lijkt alsof hij het begrepen heeft: waar Jezus ook naar toe gaat, of het naar Jeruzalem is of naar de berg Gerizim of misschien nog ergens anders naar toe, hij zal er naar toe gaan. Maar ook hij krijgt kritische woorden van Jezus. Ook hij heeft het niet begrepen. Het zit toch nog anders. Jezus zegt: 'ik ga nergens naar toe'. Ja, hij gaat naar Jeruzalem. Maar niet om daar thuis te komen, niet om daar een plek te hebben die van hem is. Zoals de vossen hun hol hebben en de vogels hun nest, de joden Jeruzalem en de Samaritanen Gerizim. Jezus heeft geen thuis, hij heeft geen plek om het hoofd neer te leggen.

Wie met Jezus op weg gaat heeft blijkbaar ook geen thuis. Geen heiligdom in Jeruzalem of Gerizim, geen heiligdom in Rome, in Mekka en zelfs niet in Hoofddorp. Maar zegt iemand tegen Jezus: dat is zo, maar laat me dan in ieder geval afscheid nemen van mijn huidige thuis, laat me afscheid nemen van mijn huisgenoten. Maar Jezus zegt: als je aan het ploegen bent, dan kan je niet achterom kijken. Want bij het ploegen moet je je concentreren op wat voor je ligt, alleen dan kan je rechte voren maken. Als je achterom kijkt ga je zwabberen.

De woorden van Jezus doen denken aan het verhaal over Elia en Elisa. Elisa is aan het ploegen. Met 12 span ossen, nou dan ben je geen keuterboer. Maar dat getal is natuurlijk ook een symbolisch getal. 12 span ossen voor de 12 stammen van Isral, die Elisa zal leiden. Dan komt Elia langs en krijgt de profetenmantel van Elia toegeworpen. Elisa jij moet profeet worden, zegt Elia daarmee. Het is een roepingsverhaal. En Elisa wil dat. Maar hij wil ook afscheid nemen van zijn vader en zijn moeder. ‘Ik wil eerst mijn vader en mijn moeder kussen’ zegt hij. En Elia zegt: het is jouw leven, ik dwing je nergens toe. Dat is precies wat God altijd tegen ons zegt: het is jouw leven, ik dwing je nergens toe. En dan doet Elisa iets. Hij doet nog iets radicaler dan Elia voorstelt. Hij kust inderdaad zijn moeder en zijn vader niet. Hij slacht een span ossen, maakt hun vlees klaar en deelt dat uit aan het volk. Hij geeft het volk te eten. Zijn moeder zal hij niet meer kussen, maar met wat van zijn huis is: het span ossen, het juk maakt hij eten klaar. Wat hij heeft, zijn huis, zijn afkomst zet hij in voor het volk, dat ze eten. Zijn afkomst gebruikt hij voor zijn roeping.

De woorden van Jezus over geen afscheid nemen, je moeder niet kussen – en zelfs niet je vader begraven -  zijn hele harde woorden en, ik zelf zou ze zo letterlijk niet opvolgen, maar ze maken wel iets duidelijk. Ze laten, zoals zo vaak bij extreme uitspraken van Jezus, een klik in je hoofd omgaan. 

De vossen hebben holen, zij horen bij de aarde en hebben hun burcht diep in grond. De vogels hebben nesten, zij horen bij de hemel en hebben hun nesten hoog in de lucht, maar de zoon des mensen heeft geen plek om het hoofd neer te leggen. De mens is een tussenwezen, hij is niet thuis op de aarde, dat is met alle goeds en alle vertrouwdheid toch een vreemde omgeving voor ons. En in de hemel wonen wij niet. We zijn principieel thuisloos.

Dat is niet een ideaal. Zo van: ach, wij binden ons nergens aan, we zijn zwervers. Ik hoor lekker nergens thuis. De Engelse filosoof Roger Scruton verwijt aan de mensen die in het in Engeland en in Europa voor het zeggen hebben, dat ze leiden aan oikofobie. Een woord dat hij zelf verzonnen heeft en dat zoiets betekent als: een ziekelijke angst om ergens thuis te zijn en vooral ook: een afschuw van je eigen huis. In Nederland heeft de politicus Thierry Baudet dat overgenomen. En ik moet u zeggen: daar zit wat in. In zoverre: thuisloosheid is niet een ideaal. Zo van: de hele wereld is mijn huis. Thuisloosheid is een pijn. Je kan als mens zo verlangen naar een huis. En je moet de huizen die je hebt koesteren: het huis waarin u woont, de kerk waarin u kerkt, het land waarin u woont. Zeker als uw huis u goed doet. Als u daar veiligheid en geborgenheid ervaart. Als uw huis u liefde geeft. Als ons land ons rechtvaardigheid en recht geeft. Dat zijn kostbare zaken, in eeuwen gegroeid en hard voor gevochten, die je niet met een kan afwijzen 'omdat de hele wereld je huis is'. En tegelijkertijd ben je hier ook niet thuis. Omdat de stem van God je ook nog ergens anders naar toe wil brengen. Omdat God iets beters voor ons heeft. 

Het is niet je afkomst die je draagt en die jouw leven vorm geeft. Het is niet het heiligdom waarmee je je identificeren kan en het doel van je levensweg bepaalt. Maar veelmeer gaat het om jou, als een mens zelf. Het geloof speelt zich af op jouw lichaam. Jij staat daar als kleine kwetsbare mens en jij alleen moet je geloof dragen, niet je voorgeslacht, niet de kerk. Jij staat daar als groot mens, om de geest en waarheid in jou gaat het, het gaat God om jou. En daarom kan Jezus ook spreken over de tempel van zijn lichaam. Niet de tempel in Jeruzalem, maar zijn lichaam is een tempel. Hij zelf is een reizend heiligdom, zo’n tentje als waar Israel ooit mee door de woestijn trok.

Het gaat om jou als mens in het geloof. Om jouw wending naar Gods koninkrijk, om jouw groei in het geloof. Het betekent dat alles wat wij hebben aan kerken, aan ‘heilige plaatsen’ in dienst staat van de vorming van het geloof van mensen. Niet andersom, wij staan niet in dienst van het heiligdom. Ergens is dat heel makkelijk. Ik offer mijn leven op voor het heiligdom. Ik geef al mijn krachten aan Mekka, aan de Notre Dame, aan de Marktpleinkerk, aan de Lichtkring. Nee, dat is te makkelijk. Dan hang je jezelf en je eigen identiteit te makkelijk op aan iets dat buiten je is en dan ook buiten je blijft. Nee, al die plekken zijn er om jou te vormen. Om jou te doen groeien in geloof. En jouw deelname aan activiteiten hebben dat als doel.

Het gaat om jou als mens in het geloof. En daarmee bedoel ik niet nog eens de zoveelste ophemeling van ons eigen ik. Nee, het gaat om de verandering van ons ik, onze ontlediging, ons deelkrijgen van ons ik aan Christus. Het gaat om de verandering van ons ik door het contact met Christus. Het gaat niet om binnen ons zelf te blijven, maar ons vol te drinken met de moedermelk die Christus ons geeft.

Als wij Avondmaal vieren dan hebben wij deel aan het lichaam van Christus. Niet een centraal heiligdom, in Rome of Geneve, Utrecht of Jeruzalem bepaalt ons geloof, maar het lichaam van deze mens. In zijn lichaam vinden wij de basis van ons geloof, op hem rust het bouwwerk van de kerk en hij wordt daarom ook de Hoeksteen genoemd. Omdat ons geloof in Hem rust. Hij is onze bron.

Aan zijn kwetsbare en gekwetste lichaam hebben wij deel. Aan het geloof dat zijn lichaam droeg. Aan de geest en waarheid die hij belichaamde, kwetsbare mens, zoon van God. Hij is ons waarlijke heiligdom. In hem is onze bron, in zijn leven, in zijn dood, in zijn opstanding, opdat wij mensen worden met Gods heiligdom in ons. Amen.