...uit het vuur weggerukt
Naar Homepage

Naar Preekarchief

Naar Weblog

Er waren grote spanningen in het huwelijk. Ze hield van haar man en haar kinderen, maar ze was er zo opgesloten in. Ze claimden hen zo. Toen was ze die aardige collega op het werk tegengekomen en als een blok voor hem gevallen. Haar man was woedend geweest toen hij er achter kwam en binnen drie weken had hij zijn tegenzet gedaan en was ook een affaire begonnen.
Na drie maanden kwamen ze tot bezinning. Het was toch niet zo ideaal geweest met die vriendelijke collega. En hij bekende dat hij gewoon haar en de kinderen wilde. Maar het was moeilijk om zomaar verder te gaan met elkaar. Er was een grote vertrouwensbreuk geweest.  Er was de pijn, en het moest ook anders in hun huwelijk. Ze voerden gesprekken met de predikant en die waren op zich wel goed, maar toch kwamen steeds weer het wantrouwen en de verwijten op tafel. Ze konden niet zomaar opnieuw beginnen.

Jozua hogepriester voor hemels hofHet volk Israël mag terugkomen uit de ballingschap. Zeventig jaar zijn ze in Babylon in ballingschap geweest en dan mogen ze terug. Alsof een droom is uitgekomen. Maar de realiteit valt tegen. Ze willen wel overnieuw beginnen, maar het lukt zo moeilijk. Er komt een nieuwe hogepriester mee uit Babel, Jozua. U kent waarschijnlijk een andere Jozua beter, de opvolger van Mozes die het land binnentrekt, als ze uit de woestijn komen. Dit is een verre naamgenoot van hem, maar hij staat voor een vergelijkbare taak: opnieuw beginnen temidden van tegenslag en vijandigheid.

Dan krijgt de profeet Zacharia een visioen. Hij ziet de hogepriester Jozua staan voor een hemels gerechtshof. Jozua wordt in de hemel geoordeeld. En zoals in elk proces is er een officier van justitie die de aanklacht formuleert: en hier is dat de satan. Het is de satan die Jozua graag schuldig wil hebben voor het hemelse hof en er voor wil zorgen dat hij veroordeeld wordt.

Ikzelf heb nooit visioenen, maar ik weet wat het is om aangeklaagd te worden. Dan is er een stem in mij, die zegt. Je doet het fout, je schiet tekort. En soms heb je zo’n stem nodig, zet ie je aan om kritisch naar jezelf te kijken. Om zaken beter te gaan doen. Maar soms verlamt hij je ook. Denk je alleen maar dat je te kort schiet. Komt er niets meer uit je handen. En je denkt het kan me ook allemaal niets meer schelen. Ik ga me gang en als iemand er iets van zegt, dan kan-ie dood vallen. Ik wil er niets meer mee te maken hebben. Ik leid mijn eigen leven.

Na de ballingschap moeten er weer priesters komen. Mensen die onderwijs kunnen geven en die mensen weer bij God kunnen brengen. Maar wie moet daar priester worden? Jozua? Jozua, wiens voorouders allerlei afgoden aanbaden en niet op de armen letten. Jozua, die in Babylon ook niet zo’n priesterlijk leven leidde. En zo’n man moet ons leiden, roepen de mensen in Jeruzalem. Zo’n man moet ons verzoenen met God?

Maar God trekt zich niets aan van welke aanklachten dan ook. Hij zegt: ‘zwijg’. ‘Houd je mond’. Ik wil geen aanklacht meer horen. Jozua is inderdaad niet brandschoon, daar heb je gelijk in. Hij is een stuk zwartgeblakerd hout. Ja, hij is vuil en beroet geworden. Maar hij is nietverbrand hout verbrand. Ik heb hem gespaard. En let eens op wat ik doe. Ik trek Jozua nieuwe kleren aan. En hij geeft opdracht om Jozua de vuile kleren uit te trekken. En hij zegt tegen Jozua: ‘hierbij reinig ik je van alle schuld en kleed ik je in een feestelijk gewaad’. En Jozua krijgt een nieuw en feestelijk kleed aan. En hij krijgt zelfs een nieuwe tulband op zijn hoofd. Zo staat hij daar in zijn nieuwe kleed. Als een dopeling in een stralend wit doopkleed. God heeft Israël vergeven. Hij wil na de ballingschap een nieuw begin met zijn volk maken. En hij reinigt daarvoor de hogepriester. Het zwart-geblakerde stuk hout zal opnieuw gaan bloeien: uit dit hout zal een spruit bloeien..

Zo doet God met een mens. Hij brengt de stemmen tot zwijgen die een mens alleen maar aanklagen en een nieuw begin in de weg staan. Ook de stem in je eigen borst die maar doorgaat met jezelf aan te klagen. En hij bekleedt een mens met een nieuw kleed, het kleed van zijn heerlijkheid, het kleed van zijn heiligheid, het kleed van een nieuw en stralend begin met God. En zoals dat kleed is, zo mag je leven, zo mag je zijn.

Voor ons is het misschien vreemd om te bedenken dat hetgene is dat nu net nodig is. Als je overnieuw begint, dan heb je gereedschap nodig om de puinhopen op te ruimen, ingenieurs om nieuwe dingen te bouwen.

Maar God zegt. Een nieuw begin is dat ik een mens heilig. Dat ik wegdoe wat tussen hem en mij in staat en hem heilig. En dat ik dan voortaan zo bij hem ben dat hij anders kan gaan leven. Dat een mens dan voortaan bij mij blijft. Doet wat ik van hem of haar vraag.

Heiliging en verzoening is het eerste dat een mens nodig heeft. Dat geldt voor grote landen die overnieuw willen beginnen. Toen er in Zuid-Afrika een nieuw begin kwam na de apartheid heeft men gezocht naar verzoening. Die verzoening was geïnspireerd door de bijbel en ging gepaard met gebed en gezang en met het vaste voornemen: voortaan moest het anders gaan in dit land, wij moeten doen wat rechtvaardig is en goed.
Heiliging en verzoening is het eerste dat een mens nodig heeft. Dat is ook het mooie van de kinderdoop. Meteen aan het begin van een leven van een mens zet je de heiliging door God. Meteen aan het begin van het leven van een mens wordt een mens geheiligd, verbonden met de weg, de doopjurkendood en opwekking van Christus, zodat dit voortaan zijn weg bepaalt. En als teken daarvan draagt een kind witte doopkleding.

Heiliging en verzoening heeft een mens nodig in alle fases van het leven. Ook in de fase dat je terugkijkt op je leven en vooruitkijkt naar wat komen gaat. Er ligt voor jezelf een taak: wat staat in tussen God en mij. Wat moet ik wegdoen. En wat staat er nog tussen mij en een ander waar ik wat aan kan doen. En je kan je vertrouwen dat God vergeeft. Nu en in de tijd die komen gaat. Amen.

                                                                                               

 De volgende exegese en preekschets verscheen in Postille 2007-2008, p. 220-224 Zoetermeer 2007


Zacharia 3:2b: ‘Is deze Jozua niet een stuk zwartgeblakerd hout dat uit het vuur is weggerukt?’

xegese

Zacharia 3 is onderdeel van een reeks van visioenen. Het eerste visioen geeft aan dat de gehele aarde klaar is voor het herstel van Sion. De visioenen uit hoofdstuk twee geven aan dat de volken die Israël verdrukten getemd zijn en dat Jeruzalem herbouwd gaat worden. Nu zoemt de camera verder in en komt de hogepriester Jozua in beeld.

De visoenen van Zacharia spelen zich af in de tijd na de ballingschap. In 536 v. C. keren de ballingen terug uit Babel (Ezra 1:1-3). Er wordt begonnen met de herbouw van de tempel (Ezra 3), maar er is tegenstand van de Samaritanen (Ezra 4) en het werk wordt langdurig stilgelegd. De wederopbouw van het joodse volk in het land komt lange tijd  in een impasse terecht. Maar in het tweede jaar van de regering van Darius (520 v.C.) komt het tot een beweging onder leiding van de profeten Haggai en Zacharia om verder te bouwen aan de tempel (Ezra 4:24-5:2). Zij hebben hun hoop gevestigd op Zerubabel en op de hogepriester Jozua  (Ezra 5:2 en Hag. 2:5).

In Zach. 3 wordt de profeet en de lezer meegenomen naar de hemel om getuige te zijn van een hemels rechtsgeding. De hogepriester Jozua staat terecht voor de Engel des Heren. Jozua hoort tot de eersten die zijn teruggekeerd naar Jeruzalem (Ezra 2:2, 3:2 en 8). Hij wordt aangeklaagd door Satan. Satan heeft hier - net als in de proloog van het boek Job - de rol van aanklager in een hemelse rechtszitting. Hij is één van de engelen van Gods hemelse hofhouding en (nog) niet de hellevorst, die hij in de christelijke traditie zal worden.

Onduidelijk is de inhoud van de beschuldiging van Satan. In de uitlegtraditie is hier druk over gespeculeerd. Jozua zou twee zonen hebben die voor priesters ongeschikte vrouwen zouden hebben gehuwd, zonder dat hij protesteerde. Jozua zou onrein zijn, de ballingschap zou onreinheid met zich meebrengen. Er zijn onderzoekers die veronderstellen dat er oppositie bestond tegen Jozua’s priesterschap.

Mij komt het voor dat de ongenoemde aanklacht algemener is bedoeld. Het volk Israël is in ballingschap gevoerd vanwege zijn zonden. Dan kan je niet zomaar met een rein priesterschap overnieuw beginnen. Er is een goddelijke interventie, een goddelijke vrijspraak nodig om de priester rein te verklaren, vergelijkbaar met de goddelijke interventie van vergeving voor heel het volk (Jesaja 40:1 ev). Het accent in het visioen valt op de vergeving, niet op de overtreding.

God vergelijkt Jozua met een stuk zwartgeblakerd hout dat uit het vuur is weggerukt. Het is een beeld dat in mijn ogen duidt op de ballingschap en associaties oproept met andere teksten. In Amos 4:11 zegt God: ‘Ik vernietigde jullie, zoals ik Sodom en Gomorra vernietigd heb; jullie werden als een stuk zwartgeblakerd hout dat uit de vlammen is weggerukt: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd’. Amos roept het beeld op van Sodom en Gomorra die door Gods toorn vernietigd zijn (hpk, Gen. 19:29, Amos 4:11) en vergelijkt dat met het bijna vernietigde Israël. Het is een beeld dat vaker gebruikt wordt. Ook Deut. 29:22 en Jer. 50:40 gebruiken het beeld van een ontvolkt en vernietigd Sodom en Gomorra voor de toestand van het land Israël, wanneer de bevolking in ballingschap is gevoerd. Zach. 3:2 roept dus direct associaties op met Gods toorn en de ballingschap. Tegelijkertijd ziet Amos nog een stuk zwartgeblakerd hout dat uit de vlammen is weggerukt. Ook het verhaal van Sodom en Gomorra roept onmiddellijk Lot en zijn dochters in gedachten die ontkwamen. Zo zien we dat de priester Jozua in Zach. 3:2 geschetst wordt als iemand die gered is uit Gods brandende toorn en uit de ondergang van Israël. De ballingschap wordt hier dus voorgesteld als een redding, als een ontkomen aan Gods toorn.  De blakering van het hout roept ook associaties op met de verbranding van de tempel in 587.

Op beeldniveau is er in de tekst nu een eenvoudige overgang van een stuk hout dat logischerwijze zwartgeblakerd is als het uit het vuur is gered, naar de besmeurde kleren van Jozua. De vuile kleren van Jozua representeren zijn onreinheid en zondigheid. Maar door de verbinding met het zwartgeblakerd hout excuseert God Jozua: het is niet meer dan logisch dat je zwartgeblakerd bent als je in het vuur hebt gelegen.

Jozua krijgt nieuwe kleren aan ten teken van zijn nieuwe heiliging (vgl. ook Jes. 4:3 en 4). In het hele antieke denken bestaat er een verband tussen de kleding en de kwaliteiten en eigenschappen van een mens. Kleren maken de mens. De vroegchristelijke gemeenten borduurden daarop voort toen ze de doop voorstelden als een ‘bekleed worden met Christus’ (Gal. 3:27, zie ook Ef. 4:24, 2 Kor. 5:4 en iets verder weg: Openb. 7:9 en 19:8). Het doopritueel in de oude kerk beeldde dit uit: de dopelingen werden in de paasnacht ongekleed gedoopt en kregen daarna witte doopkleding.

In vers 5 neemt Zacharia zelf actief deel aan de gebeurtenissen in zijn visioen door zelf een nieuwe tulband voor te stellen. In de literatuur wordt gespeculeerd dat de tulband macht of rechtsuitoefening (Job 29:14) symboliseert. Ik zie in het aanbrengen van de tulband niet meer dan dat Zacharia meedoet en de kleding completeert.  Door zijn verzoek om Jozua een reine tulband te geven, gaat hij zijn hoorders voor om vanaf de aarde te bevestigen wat in de hemel is geschied (zie Ex. 28:37 en 39 met een verwant woord voor tulband). Belangrijk lijkt me om met de NBG te vertalen dat het om een reine tulband gaat en niet om een nieuwe tulband (NBV). Alles draait hier om heiliging en reinheid.

Vers 6-7: na de heiliging volgt de verplichting voor een heilige levenswandeling (vgl. Ef. 4:20 ev, I Petr.1:13 ev). De belofte is dat Jozua mag staan in de kring van engelen rond Gods troon.

In vers 8 is er sprake van een ‘telg’, een jonge scheut groen die uit een oude tronk te voorschijn komt. Opnieuw een beeld dat te maken heeft met hout. Kan dit vers teruggrijpen op het zwartgeblakerde hout uit vers 2?

In Ez.19:10-14 is sprake van een wijnstok (zie ook Ez. 15), die zo dik is dat er een scepter uit gesneden kan worden. ‘Toen werd de wijnstok in woede uitgerukt en....door het vuur verteerd’ (vs Ez.15:12) en ook de scepter gaat verloren. Het woord uitrukken (ntsh) verwijst hier opnieuw naar het in ballingschap voeren (hetzelfde woord ook in Deut. 29:27). Ook hier weer het beeld van God die in zijn toorn met vuur verwoest.

Met deze tekst in het achterhoofd is Zach. 3:8 te lezen als: de wijnstok zal opnieuw uitlopen, zozeer dat er opnieuw een scepter van gemaakt kan worden. Wanneer Zach. 6:12 en 13 met de NBG gelezen wordt alsof Jozua de telg is (anderen zeggen: Zerubbabel is de telg of nog iemand anders), dan ontvouwt zich het volgende: Jozua is het stuk zwartgeblakerd hout, want hij hoort bij het nog net niet vernietigde Israël dat ontkwam aan Gods toorn, doordat het in ballingschap werd gevoerd. Hij wordt gereinigd en geheiligd en zal opnieuw vruchtbaar zijn en Israël doen heersen.

Vs 9a is wellicht een verwijzing naar het rozet van goud van de priesterkleding met de tekst ‘Aan de Heer gewijd’ (Exodus 28:37) . God zelf graveert deze tekst nu, God zelf wijdt Jozua.

Vs 9b en 10. Nadat de priester is gereinigd, wordt ook het land gereinigd, (sommigen zeggen: op een Grote Verzoendag). Nadat de priester is ontloken, wordt ook het land weer vruchtbaar.

In Judas 22 wordt gerefereerd aan dit hoofdstuk (vuur ontrukt, bevlekt kleed).

Verkondiging

Je kan na een diepe crisis (in een huwelijk, in een gemeente) niet zomaar opnieuw beginnen. Daarvoor is te veel kapot gegaan. Ook het volk Israël kan niet zomaar opnieuw beginnen na de ballingschap. Het lukt niet om de opbouw van het land en van de tempel goed op gang te brengen. Satan klaagt Jozua aan. Er ligt ook een probleem: de priesters hebben hun reinheid verloren. Misschien vertrouwen veel mensen hen ook niet meer. 

Onze kerk lijkt op het Israël na de ballingschap. We bezitten niet meer een overheersende positie in de samenleving. Tegelijkertijd is er een groeiend besef hoe belangrijk ons geloof is, voor ons en voor de samenleving. We hebben afgerekend met allerlei oude vormen en aanspraken, maar we weten niet hoe we een nieuw begin als minderheidskerk moeten maken. Het gevolg is moedeloosheid en besluiteloosheid.

God spreekt Jozua vrij. Het is zijn vreemde vrijspraak. Hij legt de aanklager, of dat nu de Satan is of de stem van je eigen zelfbeschuldiging, het zwijgen op. Want het voortduren van beschuldigingen maakt een nieuw begin onmogelijk. God zegt: Jozua is niet brandschoon, hij is door het vuur van de ondergang van Israël beroet maar hij was ontkomen en nu ik maak hem schoon.

Zo wordt een mens ook schoongewassen en geheiligd in de doop. Als de hogepriester Jozua krijgt hij of zij nieuwe kleren aan als teken van heiliging. Een stralend nieuw begin met God. Wat achter je ligt is voorbij en voortaan moet je je houden aan de geboden van God. De doop, op welke leeftijd ook,  is de geboorte van een nieuwe mens. Je wordt bekleed met Christus. Met als ultieme belofte dat je mag staan rond Gods troon met Gods engelen.

Misschien vreemd dat bij de wederopbouw na een crisis juist heiliging nodig is. Hadden de mensen in Jeruzalem niet eerder goed gereedschap nodig? Heiliging en verzoening is het eerste dat een mens nodig heeft. Landen en kerkelijke gemeentes kunnen niet verder als er geen verzoening is (waarheidscommissie Zuid-Afrika, wantrouwen in Nederland van seculiere zijde jegens christenen of van autochtonen jegens buitenlanders). Verzoening en heiliging is zo fundamenteel dat we het in de kinderdoop aan het begin van een mensenleven zetten. Meteen aan het begin van het leven van een mens wordt een mens geheiligd, verbonden met de weg, de dood en opwekking van Christus, zodat dit voortaan zijn weg bepaalt.

Zacharia heeft Jezus nooit gekend, maar hij ziet al wel de weg die het gaat: niet de militaire macht komt in Zacharia’s visioenen voor, maar het zijn visioenen over heiligheid en wijsheid.  Jezus brengt Gods koninkrijk niet door zijn militaire macht, maar door het wegdoen bij mensen wat onheilig is en uiteindelijk door zijn priesterlijke offer. Jezus is vergelijkbaar met Jozua: ook hij is door God ontrukt aan de dood en komt tot nieuwe bloei in zijn opstandingsleven. Zo ook wij.

Liturgische aanwijzingen: Gz 252:1,2 en 4, Gz 437, Hoop van alle Volken 109

Geraadpleegde literatuur: Mark Cameron Love, The evasive Text, Zechariah 1-8 and the frustrated Reader, Sheffield 1999 196-205.

Erik Peterson, ‘Theologie der Kleidung’ in: Universitas, Jahrgang 3, Heft 12, 1948 1409-1414.