Vals spel
Naar Homepage

Naar Preekarchief

Naar Weblog

Kinderspelen bereiden voor op het volwassen leven. Ze geven onderdelen weer uit dat leven, spelen ze na, maken kinderen er vertrouwd mee. Bij knikkeren gaat het om behendigheid, spelinzicht en puur geluk. Het leert kinderen dat het belangrijk en mogelijk is iets onder de knie te krijgen. Het leer hen omgaan met winnen en met verliezen. En het leert hen misschien ook wel dat knikkers, veel knikkers, belangrijk zijn. Spelletjes zijn ook de momenten dat kinderen de onderlinge machtsverhoudingen bepalen. Wie bepaalt welk spel er wordt gespeeld, wie mag er mee doen. Wie wint er meestal, wie verliest.

Net als kinderen hebben volwassenen hebben zo hun spelen. Ajax en Feijenoord verbeelden de rivaliteit tussen de twee belangrijkste steden van ons land. Als Ajax wint, dan is Amsterdam de beste, dat gevoel leeft er dan bij alle Amsterdammers. De feestavond van het bedrijf is belangrijk voor de sfeer en de onderlinge verhoudingen. Wie daar een speels en geestig lied weet te zingen over de problemen op het werk bereikt meer dan tijdens vele vergaderingen. Wie daar laat zien dat hij belangrijk is, krijgt het ook op de werkvloer voor het zeggen.

Aan het einde van het proces tegen Jezus voeren de overpriesters en de andere aanwezigen van de Raad een spel op. Zij slaan Jezus en roepen: wie is het, die u geslagen heeft. Het is een naargeestige variant op een kinderspelletjes, waarbij iemand op de rug of op de billen geslagen wordt. Als je raadt wie je slaat, dan ben je vrij - en moet de ander de plaats innemen. Het is al niet zo’n leuk spelletje als de regels eerlijk gespeeld worden, maar hier zijn natuurlijk geen regels: Jezus komt niet vrij, hij wordt alleen geslagen en bespot: jij bent toch de Christus, nou dan kan je dit spelletje wel winnen, dan moet jij toch weten wie je slaat ha, ha.

De karikatuur van het spel laat zien hoe vlak tevoren een karikatuur van een proces is opgevoerd. Ergens is nog de schijn van rechtspraak opgehouden. Er is een rechtszitting, maar niet een openbare, bij daglicht in het gerechtsgebouw. (En waarschijnlijk is op zo’n nachtelijk tijdstip niet eens de hele raad aanwezig, alleen de mensen die hem dood willen.) Er worden  getuigen gehoord, maar de getuigen zijn zonder meer vals. Van te voren staat de uitkomst al vast: zoals in het spel na afloop Jezus alleen maar slagen moet incasseren zonder een kans op vrijheid, zo staat de afloop van het proces vast: Jezus moet dood.

Toch moet het proces aan minimale regels voldoen om de schijn op te kunnen houden. Daar hebben ze een probleem. Er zijn valse getuigen genoeg, maar ze leveren geen overtuigende aanklacht op. Dan komen er twee mannen die willen verklaren dat Jezus gezegd heeft dat hij de tempel kan afbreken en in drie dagen opbouwen. Nu komen ze eindelijk in de richting. Dit is een uitspraak waarmee Jezus zich als messiaans figuur opwerpt. Een nieuwe tempel bouwen dat klonk voor de priesters ook als: een nieuwe tijd, een nieuwe tijd met een nieuwe tempel. Het aanbreken van een messiaanse periode. En ook dat het in drie dagen zou gebeuren wijst al op het wonderlijke goddelijke karakter van die nieuwe tempelbouw. Wie zegt dat hij dat kan doen heeft messiaanse pretenties. Die stelt zichzelf in een nauw verband met God, misschien wel als een deel van God.

Het is een vals proces tegen Jezus, en het is de naam van proces niet echt waard. Het wordt volstrekt oneerlijk gevoerd en de straf die het oplevert is ook te gruwelijk om over te spreken. Maar ergens hebben de aanklagers wel gelijk. Tenminste als je van mening bent dat er werkelijk een zeer grote afstand tussen God en mensen bestaat. Dan klopt de aanklacht. Jezus brengt zichzelf in veel te nauw contact met God. Hij neemt de afstand niet in acht die volgens de hogepriesters elk mens zou moeten hebben.

Die oneerlijk gevoerde rechtszaak. Laten we eens kijken of we daar een eerlijke rechtszaak van kunnen maken. Een eerlijk proces, zonder valse getuigen. Met een officier van justitie en een advocaat.

Eerst de aanklacht van de officier van justitie. Het goddelijke en het menselijke moet je niet mengen. Als een mens geen afstand houdt tot God, dan gaat hij denken dat God en mens samen vallen, dat hij zelf God is. Dat hij zelf de regels vast kan stellen en op de troon van God kan zitten. Dan krijg je mensen die met dwang en geweld de wereld tot een paradijs willen maken, zoals in het communisme. Of mensen die met een dwang het liberalisme aan anderen willen opleggen. Dan luisteren de mensen niet meer naar de regels van God omdat ze zelf hun regels gaan stellen. Want in het diepst van hun gedachten zijn zij als God.

Dan het pleidooi van de advocaat van Jezus. Het goddelijke en het menselijke wel bij elkaar brengen betekent dat je ziet naar de liefde van God voor zijn mensen. God is niet ver weg. Hij komt dichtbij. Hij neemt menselijke gestalte aan. Zijn liefde en zijn solidariteit met de mensen is zo groot dat hij de gestalte aanneemt van een mens. Niet zomaar van een mens, van een dienstknecht, een slaaf, een veroordeelde. Het goddelijke en het menselijke komen bij elkaar. God komt met al zijn liefde en erbarmen naar de mens, die hij zo lief heeft. Vanuit die vernieuwing van een mens, vanuit de vergeving door God, vanuit de goddelijke vonken in hen mogen mensen leven. Ze zijn kinderen van God en ze mogen leven als Gods kinderen. En kijk eens hoe prachtig ze daar van worden.

Hoe dicht zitten God en mens bij elkaar. Kunt u hier tussen kiezen. Het valt mij moeilijk. Dit is het punt dat voor de grootste scheidingen in de godsdienst heeft gezorgd. Het is het grote verwijt van het orthodoxe jodendom aan het christendom. Het christendom is afgodendienst want ze brengt een mens te dicht bij God. Ook in het christendom is er intern keihard over dit punt gestreden. Is Jezus werkelijk een onderdeel van God zelf, deel van de drieëenheid. En hoe dan precies. Speciaal de Egyptische kerk hechtte in de zesde eeuw en nog steeds sterk aan het standpunt dat je het goddelijke en het menselijke niet teveel met elkaar moest verbinden. Aan het begin van de zevende eeuw komt een man naar Kairo. Hij is getrouwd met een rijke handelsweduwe en hij doet zaken voor haar. Hij hoort de verhalen, hij snuift het geestelijke klimaat er op. Dan gaat hij terug naar zijn geboortestad Mekka in Arabië. Hij zoekt, hij mediteert in de grotten in de woestijn net als de monniken van de christelijke kerk van Egypte. Dan op een nacht slaat de bliksem bij hem in. Zij hebben gelijk wat ze daar in Egypte leren over de afstand tussen God en mens. Alleen het moet nog veel radicaler. De afstand tussen God en mens moet nog veel groter. God is de barmhartige, de genadevolle, en zomaar 99 namen van God vloeien van zijn lippen. En de mens is maar een mens. Jezus is geen zoon van God, hij is geen onderdeel van God, hij is slechts een profeet. Bijna de belangrijkste maar toch. God en mens zijn volstrekt van elkaar gescheiden. En hij, is de eerste die dit zo beseft. Hij Mohammed.

Dit is het punt waar de grote godsdiensten verschillen. Hoe dicht komen God en mens tot elkaar. Het is het punt waar het jodendom afstand neemt tot het christendom. En waar de Islam uit tevoorschijn zal komen als een soort geradicaliseerde vorm van christendom.

Na het verhaal van de twee getuigen over het opbouwen en afbreken van de tempel, heeft de hogepriester genoeg gehoord. Zeg ons of jij de zoon van God bent. Vermeng jij het goddelijke en het menselijke zoveel, heb jij zoveel goddelijke pretenties, dat je dat durft te zeggen. En Jezus antwoordt niet rechtstreeks. Gij hebt het gezegd. Het zijn uw woorden, het is uw valse proces, daar doe ik niet aan mee. En meteen voegt hij daar aan toe: maar van nu aan zult u de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand Gods en komende op de wolken des Hemels. We kunnen nu begrijpen hoe als een vloek dat geklonken heeft voor de hogepriester. Een mens die zich niet  alleen als de messias ziet maar ook als de Zoon des mensen, die namens God recht zal spreken. Voor de hogepriester is dit afgodendienst, totale vermenging van het goddelijke en het menselijke. Hij scheurt zijn kleren als plaatsvervangende boete voor zoveel Godslastering. ‘We hebben geen getuigen meer nodig, want we hebben nu allemaal gehoord hoe hij God gelasterd heeft. Zo’n mens mag niet bestaan voor Gods aangezicht’. En in al zijn woede beginnen zij hem te slaan. Als je dan zo’n goddelijke figuur bent: vertel dan: wie heeft je geslagen!

En onder heel dit conflict tussen zulke tegengestelde geloven over de verbinding van God en mens, stromen de woorden van de profeet. Over de mens die zijn mond niet opendoet: als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zegt Jesaja. Over de mens die wordt geslagen. Over de mens die door al zijn vrienden in de steek wordt gelaten. De woorden van Jesaja nemen opnieuw gestalte aan in Jezus en zijn rechters, worden daar vlees en bloed. En daarmee ook de belofte van Jesaja. Dat deze mens inderdaad een soort verbindingsschakel is tussen God en mens, een mens als een zondebokje dat de schulden wegdraagt. Dat deze mens die zo onrechtvaardig wordt veroordeeld door God zelf zal worden vrijgesproken. Dat God hem opwekt en toekomst geeft. Amen.

Jesaja 53:2-7 en Mattheus 26:57-68 21 maart 2004 Heerenveen