Pinksteren: leven in de verstrooiing
Naar Homepage

Naar Preekarchief

Naar Weblog

Toren van Babel EscherEen paar jaar geleden, toen de 12-verdiepingen flat bij het station er nog niet stond, maar er al wel plannen in die richting waren, sprak ik met de architect van de gemeente. ‘Waarom moet er zo’n hoge flat komen” vroeg ik. “Zo’n gebouw is intimiderend, het waait er altijd en geeft op straat een onveilig gevoel” Dat ik vanwege een lichte vorm van hoogtevrees, liever niet op de hoogste verdiepingen op huisbezoek zou willen, vertelde ik er maar niet bij. ‘Ach’ zei hij, ‘Heerenveen, heeft een beeldbepalend gebouw nodig. Een gebouw waardoor je al vanuit de wijde omtrek kan zien: daar ligt het centrum van Heerenveen’.

Grote gebouwen roepen zichzelf uit tot centrum van de omgeving. Ze willen heersen, ze willen laten zien dat ze groter, mooier en knapper zijn dat wat dan ook. De farao liet pyramides bouwen, en onlangs volgde Mitterrand hem na, met een glazen pyramide bij het Louvre in Parijs. Tony Blair bouwde een millennium-dome, een tempel voor het nieuwe tijdperk, en al lang voor hem bouwden koningen en pausen grote kerken, paleizen en tempels. Een uitdrukking van hun macht

Zo’n toren willen de mensen in Babel bouwen. Want ze willen niet verstrooid worden. Om voor zichzelf een naam te maken

Verstrooid worden, elkaar kwijt raken is de angst van de mensen.
Het is een angst voor het verlies van het sociale verband waarin je leeft, waar je de weg kent en waar je je plaats hebt.

Het is een angst voor machtsverlies. Straks is een ander de baas, moet ik mij voegen naar hem.

Het is een angst voor eenzaamheid. Straks kent niemand mij meer, weet niemand meer wie ik bang.

Misschien val ik zelf wel uit elkaar, verlies ik mijn centrum, weet ik niet meer wie ik ben.

En daarom moeten we ons een naam maken. Wij moeten er voor zorgen zelf machtig en groot te worden. Groter en machtiger dan iedereen in de wijde omgeving.

Mensen die bang zijn klitten op elkaar. Mensen die bang zijn kijken naar omhoog, niet naar God, maar naar iemand die sterk is, macht heeft, hen beschermen zal.

Eigenlijk is de toren van Babel een toren van angst. Angst om te verliezen, angst om je eigen mensen kwijt te raken, ten onder te gaan, verstrooid te worden.

God beziet de mensen van Babel. Hij doorziet waar ze mee bezig zijn, dat zij met hun macht de aarde zullen veroveren, en alles naar hun hand zullen zetten en hij besluit hen te verstrooien.

Het is mooi hoe God dat doet: hij valt de toren niet aan, hij verwoest de toren niet, maar de ondermijning komt van binnenuit. De toren werd gebouwd om de eenheid te verdedigen, tegen buitenstaanders, maar de eenheid wordt van binnenuit verbroken. De mensen begrijpen elkaar niet meer, verstaan elkaars taal niet meer. Ze leven langs elkaar heen en krijgen conflicten onder elkaar. De torenbouw verliest zijn zin en de mensen trekken weg. En leven voortaan in de verstrooiing.

Verstrooid te zijn is sindsdien de grondvorm van menselijk leven.

Je bent niet helemaal thuis. Dat geldt voor Friezen die emigreerden naar Canada en Amerika.en in vreemde omgeving een bestaan moesten zien op te bouwen.

Het geldt voor mensen die wonen in Nederland en hun leefomgeving drastisch zien veranderen. Omdat de landbouw mechaniseert, omdat industriën komen en verdwijnen, omdat er mensen uit Polen, Marokko, Turkije en Surinamen bij jou in de buurt komen wonen.

Je bent niet helemaal thuis, omdat je zo graag een ander mens zou zijn. Omdat de wereld zo weinig wereld van God is, omdat deze wereld zo weinig lijkt op het paradijs van God, die andere plek die we verlieten.

Je kan op zoek gaan. Naar een nieuw land, naar een plek met rust en ruimte, naar andere mensen, die jou wel begrijpen. Naar een plek waar het wel goed zal zijn.

En dan gebeurt het onderweg dat Christus je tegemoet komt.  

De man die rondzwierf over de wegen van Galilea, de steden van het noorden, Juda en Jeruzalem. De man die verjaagd werd uit zijn geboortestad. Die verzuchtte: zelfs de vossen hebben holen, maar ik heb geen plaats om mijn hoofd neer te leggen. De man die zelfs niet in de stad Jeruzalem mocht sterven, maar buiten de poort gejaagd werd om daar gekruisigd te worden.

Misschien komt hij je letterlijk tegemoet, maar misschien is het vooral een moment van helderheid, van je realiseren hoe je leven in elkaar in zit.

Hij spreekt tot je. En hij spreekt tot jou in je eigen taal. Zijn woorden komen thuis bij je. Ze landen in je buik, in je hoofd en in je hart.

En dan, dan is God thuis bij jou. God komt thuis bij jou. In jouw huis, in jouw taal. Hij neemt zijn intrek bij jou, omspoelt je hoofd met zijn vlammen.

Pinksteren is het feest dat God een thuis vindt bij ons. Zo wil hij God voor ons zijn: wonend bij ons, wonend in ons, levend op onze levensadem.

En wij, worden het gebouw van God, wij worden zijn tempel, zijn tabernakel, zijn reizende heiligdom.

Wij hoeven niet naar de hemel te reiken. We moeten kijken hoe God reikt naar ons, afdaalt naar ons. In ons verstrooide leven komt God, in ons leven waar we ons zo moeilijk thuis voelen, niet thuis voelen, nooit thuis gevoeld hebben. Hij maakt daar een thuis voor zichzelf en laat jou zo thuiskomen bij hem.

God woont niet in machtige torens, grote kerken en vorstelijke gebaren. Hij woont in de mens Christus, de uitgespuugde, de gekruisigde. En zo woont hij in de caravans, doorzonwoningen en opgeknapte bouwvallen van ons leven. Hij spreekt daar onze taal en niet alleen de onze.

Dat brengt je niet in het dorp van je jeugd. Het heft je verstrooidheid niet op. Maar het geeft je wel een zekere plaats om te wonen: mijn leven daar woon ik in en Gods geest maakt het bewoonbaar, een goede plek voor mij en anderen, een goede plek om rond te kijken in Gods schepping. Amen.

Genesis 11 en Handelingen 2 Pinksteren 2009