De boodschap van Kerst:
mens van God worden
Naar Homepage

Naar Archief

Naar Weblog


Door Coen Wessel

Het kerstevangelie van Lucas vertelt dat Jezus wordt geboren in een omgeving van herders. Zijn geboortestad is Bethlehem, de stad van de herdersjongen David. Als pasgeborene wordt hij neergelegd in een voederbak voor dieren. Het zijn ook herders die het goede nieuws ontvangen en op weg gaan naar het kind in de kribbe.

Een herder zorgt voor zijn of haar dieren en verdedigt hen tegen wolven. Stem, stok en staf gebruikt de herder ook om de kudde in het gareel te houden. De schapen moeten in de goede richting lopen. In de voorstelling van de Bijbel zorgt de herder er daarnaast voor dat de sterke dieren de zwakke dieren niet verdringen als ze te eten krijgen. In de Bijbel is een herder zo ook iemand die recht spreekt en oordeelt over een schaap.

In Bethlehem wordt een opvolger van de herdersjongen David geboren, is de boodschap van het kerstevangelie van Lucas. Hier zien we een nieuw koningskind, die, net als David, zijn volk als een herder de weg zal wijzen en zal oordelen.

De goede herder

Ooit kreeg ik op de zondagsschool een plaat, in glanzende kleuren, van Jezus als de goede herder. Op zijn schouder droeg hij een lammetje, dat verdwaald was, ver van de kudde. De plaat heeft jarenlang boven mijn kinderbed gehangen. Een prachtig beeld dat vertelt over de zorg die God voor je heeft.

Met een Jezus die oordeelt hebben grote delen van de kerk meer moeite. Generaties zijn opgevoed en bang gemaakt met allerlei nare voorstellingen over brandende mensen bij het laatste oordeel en de hel. Daar willen we – terecht – niet naar terug.

Vanaf de jaren zestig is in veel protestantse kerken het Kyriegebed ingevoerd. Aan het begin van de dienst wordt ‘de nood van de wereld’ aan God voorgelegd. Ook dat is een vorm van zorg voor een ander, alleen is die ander meestal wat verder weg.

Vóór de jaren zestig stond op deze plaats in de kerkdienst vaak een schuldbelijdenis, het gebed ter verootmoediging. De eigen fouten werden voor het aangezicht van God beleden. Aan het begin van de dienst ging het uitgebreid over onszelf en dan speciaal over onze eigen fouten en tekortkomingen. Maar vanaf de jaren zestig veranderde dat in een groot deel van de protestantse kerken.

In het Kyriegebed wordt God opgeroepen om zich te ontfermen over de nood van de wereld. De blik gaat aan het begin van de dienst niet naar binnen, naar de eigen tekortkomingen en wat er woelt in ons hart, maar naar buiten. Niet ikzelf, maar de ander kwam centraal te staan. Het eigen zelfonderzoek, de eigen schuld en het oordeel over ons - met daarbij de oproep om jezelf te verbeteren raakte uit beeld. Daar verloren we letterlijk het zicht op.

We hebben het oordeel nodig

Toch hebben we een oordeel over onszelf nodig. De wereld verlangt er ook naar. Eind 2017 verscheen het boek van de Canadese psycholoog Jordan Peterson 12 regels voor het leven. Het boek werd al snel populair onder puberjongens en jonge mannen. Het bevat eenvoudige regels als ‘ruim je kamer op’, om zo een begin van ordening in je leven te maken.

Het boek heeft een zeer conservatieve boodschap, die ik zo niet deel. Maar het bevrijdende van het boek Peterson is dat het jongens duidelijk aanspreekt, een oordeel over hun gedrag uitspreekt en hen wil vormen. ‘Je doet niet alles goed’. ‘Je bent niet ok, zoals je bent’. ‘Je moet je inspannen om wat van jezelf te maken’. Dat zijn boodschappen waardoor je je gekend voelt, juist óók in je tekortschieten. Want dat je tekortschiet weet je ergens wel. Het zijn boodschappen die je uitdagen om wat te maken van je leven. Ze richten je leven op een hoger doel.

Het is ook een reden waarom de islam bij jonge mensen aanslaat. Nog meer dan in het christendom heeft in de islam het oordeel een belangrijke plaats. De islam geeft een duidelijke set van regels, variërend van driemaal daags bidden tot respect voor ouderen en het geven van aalmoezen. Daar moet je je aan houden, anders doe je het fout in de ogen van Allah. Daar kan je van alles van vinden, maar het zijn wel regels die een mens vormen.

Tijdenlang hebben we in onze cultuur ook een seculier vormingsideaal gekend: het neohumanisme. Het ideaal van het neohumanisme was om zowel de gevoelskanten als de intellectuele kanten van een mens maximaal te ontwikkelen.

De Duitse schrijver, filosoof en wetenschapper Johann von Goethe (1749-1832) gold als de belichaming van dit vormingsideaal: een mens die literair ontwikkeld was, een diep gevoelsleven bezat, maar ook scheikundige experimenten uitvoerde.

De idealen van het neohumanisme waren een verzet tegen onderwijs dat vooral op maatschappelijk nut georiënteerd was. Gelukkig zijn er nog steeds leraren die leerlingen aansporen om het beste uit zichzelf te halen en die er niet voor terugschrikken om de lat hoog te leggen. Maar ik hoor ook genoeg verhalen over romans die niet meer gelezen hoeven te worden – want ‘zo moeilijk van taal’ en ‘zo ver van de belevingswereld van leerlingen vandaan’. Terwijl taal het denken ontwikkelt en ‘moeilijke’ romans nieuwe werelden openen.

Motief

In de uitleg van het kerstverhaal van Lucas is in de loop der eeuwen het motief van Jezus als de nieuwe, richtende herder verdwenen. Vanaf de Middeleeuwen wordt in de uitleg van dit verhaal de armoede van Jozef, Maria en Jezus benadrukt. Het is de tijd dat bedelmonniken rondtrekken en radicale christelijke bewegingen de verschillen tussen arm en rijk hekelen. De herders zouden, volgens die uitleg, hele arme lieden zijn.

De woorden van Jezus dat de Mensenzoon geen plek heeft om zijn hoofd neer te leggen (Lucas 9:58), worden ingelezen in dit Bijbelverhaal over zijn geboorte: voor Jezus en zijn ouders was geen plaats in de herberg, hij hoort er niet bij, voor hem is er alleen een armoedige stal! In de tijd van de Romantiek (vanaf eind achttiende eeuw) worden de herders in de Bijbeluitleg ook outcasts, woeste mannen waar de samenleving op neer keek, bijna een soort rovers.

Dat voedt je verbeelding. Je kan je daardoor voorstellen dat Jezus in onze tijd te midden van daklozen, zwervers en illegale vreemdelingen geboren wordt. Het zet je aan om beter te zorgen voor armen en anderen. Het doet een beroep op je medelijden met het kind in de kribbe en met al die andere verschoppelingen van deze wereld.

Op zich goed en door-en-door christelijk. Maar er zitten ook risico’s aan. Het risico dat die ‘ander’ een soort projectie van je eigen beelden blijft, voorwerp van je behoefte om goed te doen. Geen concrete mens. De ‘arme ander’ blijft alleen een mens waar je voor moet zorgen. Nooit wordt die ‘arme ander’ een mens met zijn eigen eigenschappen en zijn eigen identiteit. En ook zijn eigen fouten en zijn eigen zonden. Een mens die evenzeer vergeving nodig heeft als wij. Als ‘ie alleen maar een ‘ander’ is, kan ie nooit volwaardig je zuster of broeder worden.

Ook aan het beroep op medelijden – tegenwoordig heet dat vaak: compassie - zitten risico’s. Ja, heel mooi als je het leed van een ander ziet en je er door geraakt wordt en je het goede gaat doen. Dat hoort zeker bij Jezus die zich liet raken door het verdriet van een moeder of door de wanhoop van een mens die door zijn ziekte wordt uitgestoten. Maar is medelijden genoeg voor ons?

Een mens in nood roept niet alleen medelijden op. Zo iemand roept ook wantrouwen op: is hij of zij echt wel zo zielig? Stelt ‘ie zich niet aan? Hij roept ook afschuw op, walging misschien wel. Het is uiterst riskant om je richting en vorming als mens af te laten hangen van de gevoelsimpulsen die je krijgt van een ander. Het gebod dat je je naaste lief moet liefhebben als jezelf, is niet voor niets een echt gebod: het spoort aan om al je gevoelens van afkeer, aarzeling en schaamte te overwinnen en een ander lief te hebben

Mens van God worden

Jezus zal van een niet opgeruimde kamer niet onderste boven raken. Wel van een mens die zich niet oefent in het geloof. ‘Hij zal zijn volk van zijn zonden bevrijden’ zegt de engel tegen Jozef in het kerstverhaal van Matteüs. De engel doelt dan niet alleen op de offerdood van Jezus, maar ook dat Jezus het gevecht met jou en mij aangaat om mens van God te worden. Mens van zijn nieuwe wereld.

Daar hoort oefening bij in bidden en in lofprijzen als de engelen en de herders. Durven te leven met verplichtingen en geboden, die een mens vormen. Lofliederen zingen in de klas en in de kindernevendienst om hoofd en hart te doordringen met geloof. Vaste tijden op de dag en in de week vaststellen om God te zoeken. Goede manieren. Oefeningen in bescheidenheid: van opstaan in de bus tot je consumptie beperken. Vreemdelingen leren liefhebben. Schuld van jezelf of van ons als samenleving niet uit de weg gaan en vragen om vergeving.

Oefening, gebod, oordeel, vorming zijn allemaal geen doelen op zichzelf. Jezus komt niet om ons alleen te wijzen op onze zonden, hij komt om ons er van te bevrijden. Hij richt ons op de vreugde en de vrijheid van de wereld van God. Maar je wordt niet zomaar mens van God. Het vergt oefening, liefde en geduld. Vallen, opstaan en opnieuw vallen. 

Wij gaan als samenleving geen makkelijke tijden tegemoet. Buiten ons land zijn er autoritaire dreigingen en in ons eigen land ook. Dat vraagt om standvastige mensen. Mensen die zich geoefend hebben in geloof en liefde. Zo’n geloof maakt kans om overeind te blijven in een tijd dat de humanitaire fundamenten van onze samenleving wankelen.

Coen Wessel is algemeen secretaris van de Raad van Kerken in Nederland

Kerststal Kringloopwinkel

Verschenen in het Friesch Dagblad op 21 december 2024