Wonderbare spijziging
Naar
Homepage


Naar Weblog

Naar
Preekarchief

's Avonds voor ik ga slapen ga, lees ik een klein stuk uit de bijbel. Op dit moment lees ik in het Evangelie van Mattheus en deze week was ik aangekomen bij het verhaal over de wonderbare spijziging, het verhaal dat 5 broden en twee vissen voldoende zijn om duizenden mensen te voeden. En eigenlijk voor het eerst viel me op dat die wonderbare spijziging zomaar een keertje plaats heeft, maar op een bijzonder en bedreigend moment: op het moment dat koning Herodes Johannes de Doper heeft laten onthoofden. Johannes wordt in de evangeliŽn geschetst als een voorloper van Jezus, een aankondiger van Jezus, een verwante prediker, collega, concurrent, misschien zelfs familie, de man die hem gedoopt heeft, hoe dan ook een man voor wie Jezus grote waardering heeft. Herodes had hem in de gevangenis gegooid – maar hij kwam er niet na een tijdje weer uit, zoals iedereen zou verwachten: hij wordt vermoord. En Jezus reageert daar op door weg te gaan. 

Hij stapt in een boot en vaart naar een afgelegen plek om alleen te zijn. En wat zou het zijn? Verdriet om het verlies van een vriend? Even alleen zijn, de stilte opzoeken. Ja, maar ook zeker angst. Angst om net als Johannes te eindigen. Het is net als in Afghanistan: als je daar ziet dat de Taliban daar tolken en helpers van de Westerse troepen vermoorden, dan weet je als je ook zo’n tolk bent: dikke kans dat ik de volgende ben. En je vlucht, in ieder geval probeer je dat. Zoals Elia ooit op de vlucht sloeg voor koning Achab en zich verborg, zo vlucht ook Jezus.

En dan het ontroerende: de mensen komen het te weten en ze volgen Jezus. En ik kan dat niet anders zien dan als een aanhankelijkheidsbetuiging en als een protestdemonstratie: wij laten jou niet in de steek. Johannes is vermoord – en daar zijn de mensen woedend over – en massaal lopen ze te hoop in een protest en als een grote steunbetuiging: wij laten ons niet de mond snoeren, wij staan achter jou. Ik was indertijd bij de begrafenis van Pim Fortuyn in Rotterdam. De duizenden mensen die daar rond liepen waren verdrietig en boos en er was een soort onrust, de mensen liepen heen en weer bij zijn huis, legden bloemen en knuffels neer. Dus ik denk dat dat idyllische plaatje dat ik in mijn hoofd heb van Jezus die te midden van glooiende heuvels, in het zachte gras, de mensen liefhad en genas, dat je daar niet aan moet denken. Het was geen zondagmiddaguitje, het was woede, verdriet en diepe liefde. 

Misschien heeft Jezus ook wel gebaald toen hij de mensen zag. Zijn plan om een tijdje onder de radar te blijven, low key, wachten tot het overwaait en Herodes zijn aandacht weer bij andere dingen heeft, dat plan valt in duigen. Wat hier gebeurt zal zeker doorverteld worden in heel IsraŽl. Maar hij kijkt naar de mensen en hij laat zich overhalen, een groot gevoel van medelijden met hen gaat door hem heen en hij hervat zijn missie. En je kan je zo ook beter voorstellen dat de mensen daar zonder eten naar toe gegaan zijn. Die hebben een dikke twintig kilometer louter op hun adrenaline gelopen. Die zijn zo weggelopen uit hun huizen: ‘kom op, ga mee, we gaan naar Jezus, nu’. Vanzelfsprekend hebben die geen picknickmandje klaargemaakt.

En hier bij Jezus, geconfronteerd met vervolging en honger ontstaat hier een nieuwe gemeenschap. Herodes zat te feesten met zijn mensen en dat leidt tot de dood van Johannes. Hier ontstaat een andere gemeenschap, een contrastgemeenschap, een verbondenheid die mensen levend maakt. Wat dat betreft verschilt deze wonderbare spijziging maar weinig van de maaltijd van Jezus met zijn leerlingen aan de vooravond van zijn dood, het laatste Avondmaal. Ook dan gaat het om verbondenheid in het aangezicht van vervolging en dood. Ook daar deelt Jezus het brood. Vluchten kan daar niet meer en Jezus wil dat ook niet meer. Dan is die verbondenheid zo groot dat Jezus, als hij het brood breekt zegt: dit is mijn lichaam, ik geef het voor jullie. 

Wij leven in de gelukkige omstandigheid dat we zo’n vervolging al 75 jaar nauwelijks kennen. En dat is heerlijk, het is een groot goed en het verdedigen waard. Maar de achterkant daarvan is dat we nauwelijks meer beseffen wat vervolging is. Er is een alertheid ten aanzien van vervolging en kwaad verdwenen. Het is alsof we ons het kwaad niet meer voor kunnen stellen, niet meer voor willen stellen. En daardoor zijn we niet echt voorbereid op als we als samenleving toch met kwaad of vervolging geconfronteerd worden. Het kwaad van de harde georganiseerde misdaad die er op dit moment in Nederland zien we niet omdat het buiten onze denkkaders ligt. We kunnen ons niet voorstellen dat een advocaat en een journalist vermoord worden – en dus handelen we er niet naar. We denken dat kwaad niet bestaat en gaan vervolgens met speelgoedgeweren naar Srebrenica midden in een eeuwenoude vete zitten. En denken dat we er met een beetje praten en polderen wel uit komen. 

Er gaan ook veel dingen goed in Nederland. Maar dat leidt tot een soort optimisme waardoor alles wat negatief is of negatief uit kan pakken niet mag bestaan. Het leidt tot een voortdurende onderschatting van gevaar en kwaad. Naar Afghanistan kijken we met een blik van: ach, het zal zo’n vaart niet lopen, we hebben nog wel een half jaartje. En zo kijken we ook steeds naar de Corona-epidemie: we vinden dat ie er eigenlijk niet zou moeten zijn, hij verstoort niet alleen onze manier van leven, maar ook het Nederlandse zelfbeeld dat dit soort dingen in ons land niet voorkomen. Ja, in China, of nou ja, in ItaliŽ daar is alles een rotzooi, maar bij ons loopt het niet zo’n vaart. Dat misplaatste zelfbeeld, dat geen rekening houden met kwaad, met ziekte, het leidt ook in het Coronabeleid tot steeds opnieuw een verkeerd groot optimisme: nu hebben we het wel gehad, nu bestaat de epidemie niet meer, nu kunnen we de maatregelen wel afschaffen.

Het gaat er ook aan voorbij dat je tegenover kwaad en gevaar ook met zijn allen op moet treden. De oorlog kwamen mensen door door onderlinge hulp, door naastenliefde en opofferingsgezindheid. Ook zo’n epidemie komen we door door de dingen voor elkaar te doen: afstand houden, mondkapje dragen, je laten inenten niet alleen voor jezelf, maar zeker ook om een ander te beschermen. Leven alsof kwaad en ziekte niet bestaat is ook de illusie dat je anderen niet nodig hebt, dat je alleen kan leven, dat vrijheid er uit bestaat om te doen waar jij, individu, zin in hebt. 

Het is in Nederland alsof we in een collectief droomland leven. Niet in de echte wereld – en soms klopt dat droomland, want er gaan een heleboel dingen heel goed in ons leven en in ons land – maar vaak ook helemaal niet. Het verhindert ons om gevaar te zien. Om een goed kompas te hebben. En het snijdt ons ook af van de beloftes van de Bijbel. ‘Bij mij is eeuwig leven’ zegt Jezus, maar we halen onze schouders er voor op. Maar hoe zo, eeuwig leven, dit leven is toch al geweldig en prima. 

Maar Jezus zegt te midden van mensen die ziek zijn, mensen die vast zitten in hun leven, vervolgd worden, mensen die weten dat kwaad bestaat en dat zij zelf daar gevoelig voor zijn, ja, er aan meewerken, tegen die mensen zegt hij: er is eeuwig leven. Leven van de tijd van God, leven tot in eeuwigheid. God je zal vrij spreken, als je bij mij blijft. Als je lid wordt van mijn contrastgemeenschap, als je onderkent dat er kwaad is en dat jij er een aandeel in hebt, als je hangt aan mij, dan zal God je vrij spreken en zal je eeuwig leven hebben. Niet Herodes heeft het eeuwige leven, niet de keizer, niet de hogepriesters, niet de mensen die jou uitlachen, niet de mensen die het kwaad in de wereld niet zien.

Dat eeuwige leven daar zit gezamenlijkheid in. Het begint bij deel hebben aan die ene mens, aan Jezus. Het begint met jouw verbondenheid met hem, zozeer dat je een bent, in elkaar overvloeit. Wederzijdse inwoning. Jij leeft in hem en hij in jou. En daarvandaan ben je verbonden met al die mensen die ook zo verbonden zijn met Jezus. 

Jouw overgave daaraan is dat je het brood van Christus eet. Ik heb het in De Lichtkring al vaker gezegd: het evangelie van Johannes is geschreven voor mensen die de andere evangeliŽn al kennen. Het is geschreven voor christenen die bij elkaar komen en Avondmaal met elkaar vieren. Johannes vertelt alles over Jezus nog net even anders, zodat je het mysterie en de vreugde van zijn leven nog net dieper leert kennen. Met het Evangeliegedeelte dat we lazen, legt Johannes uit wat Avondmaal vieren ten diepste betekent. Dat is deel hebben aan Christus als het brood uit de hemel. Christus is uit de hemel naar ons toe gekomen. Hij komt bij God vandaan en is onder ons gekomen. En hij is zo tastbaar, zo concreet geworden als het brood in je handen. En zoals je brood eet, het jou laat versterken, zo zal Christus jou versterken. Hij zal je versterken in dit leven, op een eenzame plek, als je honger hebt, als je vervolgd wordt, als je niet meer weet welke kant je uit moet. Hij zal je zo versterken dat God ziet dat je een van de zijnen bent, want Christus is in jou en jij bent in hem. 

Hij is het brood niet alleen voor jou, hij is het brood voor velen. Voor die hele menigte van mensen die naar hem toe komt, hem ondersteunt en troost. Jou ondersteunt en troost. Met wie je verbonden raakt. Amen.

Mattheus 14:13-21