De inhoud van het populisme
Naar Homepage

Naar Archief

Naar overige artikelen over Wilders

Populisme is een term die weinig verheldert. Het is niet een onafhankelijke definiëring van een politieke stroming, maar het is meer een veroordeling. Ook als de term ‘populisme’ als een beschrijving bedoeld is, verheldert hij weinig. De meeste beschrijvingen komen niet verder dan het populisme als een stijl van politiek te definiëren: ‘zich rechtsteeks richten tot de man in de straat, nationale thema’s bespelen, afkeur van establishment’1. Hierdoor verdwijnt het zicht op de inhoud en op de dynamiek die er voor zorgt dat  Fortuyn en Wilders zoveel aanhang hebben gekregen de laatste jaren.
De term populisme kunnen we daarom beter laten vallen. In plaats daarvan moeten we kijken naar wat de kiezers van Geert Wilders beweegt. Dat is een pastorale verantwoordelijkheid en biedt ook oplossingen voor de politieke crisis waarin Nederland verkeert.
Laat ik eerst twee misverstanden wegnemen. De kiezers van Wilders zijn niet arbeiders in de oude wijken die door de PvdA in de steek gelaten zijn. Wilders haalt ook veel stemmen in Wassenaar en Heerenveen. Onderzoek geeft aan dat de PVV relatief sterk vertegenwoordigd is in de groep mensen met een modaal of net iets hoger inkomen en met een MBO-diploma2 . Het zijn ook niet ‘moderniserings-slachtoffers’, mensen die de boot gemist hebben bij de modernisering van de economie en de samenleving.
Zulke analyses maken de kiezers van Wilders alleen maar tot slachtoffers. Zij verhullen dat  PVV-kiezers mensen met eigen opvattingen, ideeën en verantwoordelijkheden zijn. Het zijn mensen die op een aantal cruciale politiek-culturele beleidsterreinen een ander beleid voorstaan dan er sinds de jaren zestig in Nederland gevoerd is. Op het gebied van het strafrecht willen zij strengere straffen. Zij hechten aan de natie als beschermend nationaal huis en ze staan een striktere moraal voor.
Zij voelen zich onvoldoende gerepresenteerd in de Nederlandse politiek. Hun opvattingen zijn niet dominant en zijn jarenlang niet serieus genomen. Want onder de brede groep intellectuelen (leraren, beleidsambtenaren, journalisten, kunstenaars, progressieve predikanten) die de politiek en de samenleving domineert, heerst de mening dat iedereen die niet hun internationalistische, creatieve en progressieve meningen omarmt, dom en achterlijk is3 .

Islam

Door de wereldwijde opkomst van de Islam, het Islamitisch terrorisme en door ontwikkelingen in het Nederlandse minderhedenbeleid is de onvrede over immigranten de afgelopen 15 jaar verbonden geraakt met angst voor de Islam. Deze angst heeft negentiende-eeuwse beelden van de Islam gerevitaliseerd. Moslims worden daarin voorgesteld als achterlijke woestijnkrijgers met een versteende godsdienst. Dat beeld klopt niet.
Tegenover dit beeld van de Islam wordt door kerken en de meeste politieke partijen geen eigen beeld gezet. Dat alleen al is een zwakte. Veel meer wordt vanuit een juridisch kader naar de Islam gekeken. Er wordt daarbij als volgt geredeneerd: de Islam is een godsdienst. In Nederland is godsdienstvrijheid. Moslims moeten dus hun geloof in Nederland kunnen belijden, zoals iedere privé persoon zijn godsdienst en levensovertuiging kan aanhangen. Juridisch is daarmee de zaak inderdaad afgedaan. Voor moslims is er godsdienstvrijheid en dat is een groot goed.

Problematische kanten

Maar daarmee is de zaak nog niet inhoudelijk beslecht. Want met de komst van 850.000 moslims hebben we ook alle problematische kanten van de Islam in huis gehaald. Zij komen uit samenlevingen waar de Islam het openbare leven domineert. In deze samenlevingen worden christenen, joden en anderen achtergesteld en soms bedreigd met een beroep op de Islam4 . Christenen worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt en ze hebben in de praktijk minder rechten. Het is ook niet goed mogelijk om de Islam te verlaten en christen te worden en in tijden van onrust fungeren christenen als zondebok en worden ze getreiterd of vermoord .
Dat is niet een ‘toevallige’ zaak. De Islam is ontstaan in concurrentie met christendom en jodendom en de oudste geschriften van de Islam bevatten een felle polemiek tegen joden en christenen. De Islam ziet zichzelf als de definitieve openbaring van God en dus als beter dan jodendom en christendom. De Islam heeft zichzelf verbreid door oorlog te voeren en joodse en christelijke stammen en staten eenvoudigweg te verslaan. Daar is men nog steeds trots op. Het wordt nog steeds gezien als een zegen van Allah.
Tegelijkertijd moet je niet de fout maken om de Islam essentialistisch terug te voeren tot één kern die voor altijd geldig blijft. Een godsdienst kan veranderen en zich aanpassen. De Islam kan dat ook doen en er zijn ook pogingen op dit gebied. Net zoals het christendom heeft moeten leren omgaan met het jodendom – en dat nog steeds moet leren – moet de Islam leren om te gaan met jodendom en christendom (en trouwens ook met hindoes en niet-gelovigen). Maar in de intellectuele centra van de Islam (Saoedi-Arabië, Egypte) is er niets dat er op wijst dat zo’n revisie van de Islam ondernomen wordt. Dat zal elders moeten gebeuren: In de Verenigde Staten, in Nederland of – na een revolutie – in Iran.
Aan de andere kant moet je ook zien dat een godsdienst van bijna 1400 jaar oud niet in één nacht verandert. Als je ziet hoe lang het geduurd heeft voordat christenen anders over joden gingen denken – waarbij het de vraag is hoe blijvend die veranderingen in het christelijke denken zijn – zul je beseffen dat dit een werk van generaties is en dat er altijd ambivalenties zullen blijven bestaan.

Moslims hebben een godsdienstige traditie waarin elementen zitten die sterk discriminerend zijn voor anderen. Dat is geen eenvoudige erfenis voor hen. Moslim-migranten komen daardoor in een lastige situatie. Zij willen graag moslim zijn. Dat is een manier om te geloven en ook om trouw te zijn aan zichzelf en hun voorouders. Maar in het hart van dat geloof zitten anti-christelijke, anti-joodse en daarmee ook anti-westerse ideeën en gevoelens. Westerse moslims komen die steeds tegen: bij geloofsgenoten, in de Koran, in hun traditie en in hun landen van herkomst.
Het is voor moslims moeilijk om hiermee om te gaan in een westerse samenleving die deze discriminerende opvattingen afwijst. Ik spreek met moslims die mij vertellen dat Mohammed dit allemaal zo niet bedoeld heeft en dat de Koran verkeerd wordt uitgelegd. In de krant lees ik de overspannen ideeën van radicale moslims die Europa Islamitisch willen maken. Dat laatste lijkt me een soort vlucht naar voren: als je je niet kunt aanpassen aan de westerse situatie, moet de situatie zich maar aanpassen aan jou.
Het is goed om mededogen te hebben met deze worsteling. Tegelijkertijd moet er ook duidelijk stelling worden genomen tegen discriminerend gedrag van moslims en tegen opvattingen die van een grote vijandigheid tegenover de westerse democratische samenlevingen getuigen.

Tweede Wereldoorlog

Als ik de afgelopen maanden dacht aan de stellingen die ik met Wessel ten Boom formuleerde voor de conferentie van het IKON pastoraat over Pastoraat en Populisme, dacht ik: o ja, dat zijn die racistische stellingen die ik heb ondertekend. Maar elke keer als ik ze weer overlas, was ik het er geheel mee eens en vond ik ze ook niet zo heel kritisch ten opzichte van de Islam.
Die terughoudendheid om kritiek te leveren op de Islam heeft te maken met de manier waarop wij terugkijken op de Tweede Wereldoorlog. Vanaf de jaren zestig werd de belangrijkste les van de Tweede Wereldoorlog, dat minderheidsgroepen als joden, zigeuners en homoseksuelen niet gediscrimineerd mochten worden. De ander moest juist in zijn anderszijn gewaardeerd worden en mocht daarin tot zijn recht komen. De omgang met Joden en homoseksuelen werd het morele ijkpunt van de natie.
Begin jaren tachtig liep ik mee in een demonstratie tegen ‘racisme, fascisme en anti-semitisme’. De demonstratie was een reactie op een aantal racistische incidenten tegen ‘gastarbeiders’ en de opkomst van de Centrumpartij. In de leus van de demonstratie werd de behandeling van gastarbeiders (die een paar jaar later allochtonen gingen heten en nog weer later moslims) gekoppeld aan de herinnering van de Tweede Wereldoorlog en de moord op de Joden. Wie kritiek leverde op de Islam moest zich verdedigen tegen de beschuldiging dat hij Auschwitz zou willen herhalen. Het opkomen voor minderheidsgroepen werd in deze jaren ook een belangrijke existentiële levenshouding voor gelovigen en niet gelovigen5 .
Voor wie dit intellectuele klimaat heeft ingedronken kost het enige moeite om kritiek op de Islam te leveren die verder gaat dan een kritiek op ‘fundamentalistische uitwassen’. Maar misschien is die stap ook weer niet zo ontzettend groot. Want wie echt oog heeft voor de ‘eigenheid’ van de ander ziet ook de onaangename kanten van die ander en diens worstelen en tekortschieten.

‘Godsdienst’ en christendom

Tot nu toe verdedigen de kerken de Islam vooral met een beroep op de vrijheid van godsdienst6 . Ik wil dat de kerken niet zo formeel-juridisch naar de Islam te kijken. Daarmee ontwikkel je niet alleen een eigen visie op de Islam, maar kan je ook het christendom bezien als een zaak die veel inhoudelijker is dan ‘een godsdienst’.
Na de Verlichting werd het christendom één van de godsdiensten en was het niet meer de enig denkbare levenswijze. Door het christendom als ‘één van de godsdiensten’ te definiëren kon de staat een zekere afstand tot het christendom scheppen. Vanaf deze tijd gaat men in de godsdienstwetenschap op zoek naar andere godsdiensten. Tot die tijd werd de Islam nog niet als een ‘godsdienst’ waargenomen. De Islam was een ketterij. Ook de religie van de primitieve volken werd tot de achttiende eeuw geen godsdienst genoemd – het was immers afgodendienst! Wat zij deden werd op zijn vriendelijkst beschreven als ‘zeden en gebruiken’.
Door alles een ‘godsdienst’ te noemen verdween het besef dat alle ‘godsdiensten’ op heel verschillende wijzen in hun eigen samenleving functioneerden. Het had er de schijn van dat dit een soort collega’s van het christendom waren, die net als het (protestantse) christendom, naar een samenhangend geheel van leerstellingen, morele voorschriften en gebruiken verwezen. Terwijl deze godsdiensten misschien in werkelijkheid voor niet veel meer stonden dan weinig gefixeerde gebruiken en weinig samenhangende verhalen . Toch hadden ze altijd een duidelijke functie in het maatschappelijke leven en waren ze altijd verbonden met machtsuitoefening.
Ons begrip godsdienst is een door en door westers-christelijk begrip. Het is daarom niet los te zien van de geschiedenis van de Westerse kerk, met inbegrip van haar eigen verdeeldheid en haar verhouding tot de staat. Vrijheid van godsdienst betekende dan ook aanvankelijk dat je niet alleen Luthers mocht zijn maar ook Katholiek. Of het ook betekende dat je ook Joods mocht zijn, bleef lang omstreden.
Vrijheid van godsdienst was bovendien alleen effectief toe te passen op het christendom, omdat met name het Westerse christendom een traditie had van gescheiden verantwoordelijkheden tussen kerk en staat. Er loopt een lange traditielijn van de tijd dat het christendom een minderheidsgodsdienst was in het Romeinse rijk, via de onafhankelijke macht van de Paus tegenover de keizer, vervolgens via de Protestantse twee-rijkenleer, naar de huidige tijd van scheiding tussen kerk en staat. Vrijheid van godsdienst is ook onlosmakelijk verbonden met de verinnerlijking van de godsdienst in het protestantisme. Met de vrijheid van godsdienst wordt vooral de vrijheid van het hart bedoeld.

Vrijheid van godsdienst heeft te maken met het één-tweetje dat het christendom van het Westen en de staat met elkaar zijn aangegaan. Het christendom heeft de staat gevormd tot een organisatie die gelijkheid en algemeen belang op het oog heeft. De staat heeft het christendom bedwongen in haar machtsaanspraken en tot een privé-aangelegenheid gemaakt. Sindsdien denkt de staat – terecht of onterecht – dat ze ook zonder het christendom de klus wel kan klaren en is ze vergeten dat ze uit het christendom is voortgekomen.

Politieke oorsprong

Tegelijkertijd is het christendom haar door en door politieke oorsprong vergeten. Want zoals elke godsdienst is ook het christendom een politiek-maatschappelijke aangelegenheid. Ook zijn stichter had een politiek-maatschappelijk programma. Maar omdat dit een politiek-maatschappelijke programma was dat niet uit was op de directe verovering van de staatsmacht, wordt het door ons, die politiek gereduceerd hebben tot de omgang met de staatsmacht, niet meer als een politiek programma herkend.
Voor ons is het van belang om de westerse democratische samenleving te erkennen als voluit een vrucht van het christendom en haar ook dus ook te verdedigen. Anderzijds moeten we zien dat de losmaking van de staat van het christendom zo zijn eigen risico’s met zich meebrengt. De staat blijkt zeer vatbaar voor allerlei ideologische bevliegingen (nationaal-socialisme, communisme, extreem marktdenken) die rampzalig uitwerken. In deze situatie geldt de belijdenis ‘Jezus is Heer’: vanuit het christendom gaat er ook nu een aanspraak uit op het functioneren van samenleving en staat. Deze reikt verder dan grondwettelijke constructies, waarin het christendom de rol van ‘een godsdienst’ mag spelen. De kerk toetst samenleving en staat op basis van haar eigen geloof.
De Islam moet zich aanpassen aan de situatie in het westen die bepaald wordt door de wisselwerking tussen kerk, geloof en staat. Die wisselwerking is ontstaan om in onze samenleving te kunnen functioneren. Ik vind het ook wenselijk dat de Islam zich wereldwijd daaraan aanpast. Als beloning daarvoor komt de Islam in een hoogst onzekere, hoogst wankele situatie terecht, met een staat die af en toe in een sterk anti-godsdienstige reflex schiet. Enig mededogen lijkt me op zijn plaats.

1. A.P.M. Lucardie, Rechts-extremisme, populisme of democratisch patriottisme, Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen 2007, p. 176-178.

2. De Volkskrant 20 februari 2009

3. uitgebreider op:http://www.coenwessel.nl/bohemien.html.

4. G.J. Segers, Voorwaarden voor vrede: de komst van de islam, de integratie van moslims en de identiteit van Nederland. Amsterdam 2009, 61-72; H. Jansen, Van jodenhaat naar zelfmoordterrorisme, Heerenveen 2006.

5. Jan Oegema spreekt in dit verband over ‘de publieke religie rond Auschwitz’ in: Jan Oegema, Een vreemd geluk, Amsterdam 2003.

6.Op het moment dat ik dit schrijf is de PKN-nota over de Islam nog niet verschenen.

Verschenen in Michsjol, juni 2010