De critici van Wilders zijn lui
Naar Homepage

Naar Archief

Naar overige artikelen over Wilders

Wilders en zijn PVV krijgen weinig inhoudelijk weerwoord. De avant-garde voelt zich er te goed voor.

De drang naar onafhankelijkheid en de concentratie op creativiteit is ooit populair geworden door romans en opera’s uit de 19e eeuw over het Parijse kunstenaarsmilieu. Grote dichters of schilders leidden daarin een bestaan in de marge, zonder geld, ziek door tbc, hun geluk vindend in tabak en alcohol.

Een breed publiek herkende zich onmiddellijk in deze bohémiens. Men werd weliswaar niet zelf kunstenaar en tbc-lijder te Parijs, maar ten diepste was men dat toch ook weer wel. Men was een zwerver, een pelgrim. Een mens die afscheid heeft genomen van traditie, autoriteit en godsdienst. Met heerlijke afgronden in de eigen ziel en in de kunst die een niet-ingewijde niet kan bevroeden. De niet-ingewijde is zielig, dom en bekrompen.

Zo is ook in Nederland, vooral sinds de jaren zestig, een brede groep ontstaan van goed geschoolde intellectuelen uit de hogere en middenklassen, met een eenvormig mensbeeld. Traditie en afkomst zijn voor hen struikelblokken. Zij zien zichzelf als vernieuwers en grensverleggers, die de weerstand van trage geesten moeten breken. Als zwervers van baan naar baan en van relatie naar relatie.

Creativiteit en onafhankelijkheid werden de kernwaarden in de beroepsuitoefening en bij de opvoeding van kinderen. Het belang van de natie en de natiestaat werd gerelativeerd. Bohémiens hechten weinig waarde aan afkomst, een plek waar je je thuis voelt. Uit de Tweede Wereldoorlog hebben zij de les getrokken dat er in Nederland geen plaats meer mag zijn voor racisme of nationalisme.

Nu de hele wereld één grote markt lijkt te worden, reageren de progressieven door mee te gaan met de pleidooien voor een open, internationale economische oriëntering, met de nadruk op kennis en creativiteit –precies de zaken die zijzelf bezitten of menen te bezitten. In de discussie over het strafrecht tillen ze minder zwaar aan overtredingen en hebben ze vooral oog voor de rechten van de individuele verdachte. Nog steeds voelen zij zich de avant-garde van de samenleving.

En opeens waren daar Geert Wilders en zijn kiezers, die anders denken. Die hechten aan traditie, bijvoorbeeld.

Het avant-garde denken heeft ertoe geleid dat de tegenstanders van Wilders niet inhoudelijk het debat aangaan. In hun ogen is Wilders geen serieuze opponent, maar iemand die ’nog niet zover’ is. En dus hoeft er niet geluisterd te worden, hoeven er geen wezenlijke debatten gevoerd te worden en hoeven andersdenkenden niet met respect behandeld te worden.

Vaak is er beweerd dat achter een onbehagen over de veranderende identiteit van Nederland alleen vreemdelingenhaat zit. Dat heeft denkluiheid aan de eigen zijde opgeleverd en wrok aan de andere kant. Die wrok wordt door Wilders uitvergroot en aangewakkerd. Geert Wilders verwoordt een rancune, maar die rancune is gezaaid door jarenlang avant-garde gedram. Wilders geeft stem aan mensen die de bohémien-idealen niet omarmen.

De grote en de kleine progressieve en liberale intellectuelen, van beleidsambtenaar tot leraar, moeten de arrogantie loslaten dat zij ’verder’ zijn dan anderen. Zij zullen moeten inzien dat zij slechts één van de partners zijn in het nadenken over hoe de samenleving vorm gegeven wordt. En niet meer dan dat.

Tenslotte kunnen ze zich afvragen of de nonchalante omgang met traditie en de verheerlijking van de creativiteit nu echt zulke geweldige idealen zijn. In de Franse romans worden de bohémiens nooit gelukkig.

Verschenen in Trouw 28 oktober 2010